Lok lieveheersbeestjes en zweefvliegen met drie dingen tegelijk: bloemen die van april tot in oktober blijven bloeien, een plek waar je een bladluiskolonie laat zitten, en een ongestoorde hoek met losse grond, blad en dood hout. Wie die drie bij elkaar brengt, krijgt een populatie die zichzelf in stand houdt. Wie alleen een zak bloemenzaad uitstrooit, houdt een aardig hoekje over en nog steeds luizen op de bonen. De volwassen zweefvlieg drinkt nectar bij de bloem, maar legt haar eitje bij de luizen, en die twee moeten dus naast elkaar liggen.
Ik zit op mijn knieën naast de koriander die ik in mei heb laten doorschieten. De schermen staan open, wit en fijn, en er hangt een weeë, zeepachtige lucht boven de pot. Half juni, bijna windstil, de zon op de muur van de schuur. Boven de koriander staat een zweefvlieg stil in de lucht. Niet fladderen, niet zoemen, gewoon hangen. Dan een schokje opzij en weer hangen. Ik kijk niet naar de bloem maar naar het blad van de tuinboon ernaast, want daar zit het echte werk: een groene kolonie bladluis op de top en tussen de luizen een bleekgroen, puntig madeje van nog geen centimeter. Dat is de larve. Over een week of twee is dat madeje een lege gang door die kolonie.
De eerste keer dat ik zo'n beestje zag, veegde ik het van het blad. Ik weet nog dat ik dacht: made, dus weg ermee. Daarna heb ik het nog twee seizoenen gedaan, tot ik begreep dat ik elke juni mijn eigen tuinpolitie stond weg te poetsen.
Herken je eigen leger voordat je iets wegveegt
Een lieveheersbeestje herkent iedereen. De larve bijna niemand, en dat is precies de vorm waarin het beest de meeste luizen opeet. Het lijkt op een klein, grijszwart krokodilletje van zeven tot tien millimeter, met oranje vlekken en zachte stekeltjes over het hele lijf. Hij kruipt sneller dan je verwacht en zit bijna altijd bovenop een luizenkolonie. Niets aan doen.
Wat je verder tegenkomt als je een blad omdraait:
- Een bleekgroene of wittige made met een puntig kopje, blind en pootloos, midden in de luizen. Zweefvlieglarve.
- Een bruin, opgezwollen luisje dat niet meer beweegt en muurvast aan het blad zit. Dat is een gemummificeerde luis, leeggezogen door een sluipwesp. Zie je die, dan zit er een populatie sluipwespen in je tuin.
- Een krokodilletje met grote kaken, soms met een hoopje lege luizenhuidjes op de rug. Gaasvlieglarve.
- 's Nachts onder een plank of een steen: een glanzend zwarte loopkever of een roodbruine duizendpoot. Allebei jagers op slakken, slakkeneitjes en bodemlarven. Duizendpoten jagen; miljoenpoten eten dood plantmateriaal en doen niets.
Twijfel je? Laat zitten. De rekening van één verkeerd weggeveegd beestje is een plaag over drie weken.
Bloemen zijn niet genoeg, het gaat om de volgorde
Schermbloemen zijn de tankstationnetjes: dille, venkel, koriander, karwij, roomse kervel. En de bloemschermen die je normaal weggooit, van een wortel, een pastinaak of een selderij die je laat staan. Een pastinaak die je één winter laat zitten, wordt in juni een scherm van een meter met honderden kleine bloempjes. Dat kost je één plant en het is het beste zweefvliegrestaurant dat je hebt.
Alleen: het gat zit vroeg in het jaar. In april en mei zijn de eerste zweefvliegen er al, en dan staat er in een nette moestuin nog niets open. Zet daarom iets neer dat in maart en april bloeit: judaspenning, damastbloem, muurbloem, een pol bieslook, een hoek dovenetel. Dat is geen luxe, dat is het voorgerecht waarmee je de eerste generatie aan boord houdt.
En zaai die schermbloemen tussen de groenten, niet in een apart bloemenhoekje achterin. Ik heb jaren een bloemenstrook langs de schutting gehad en de luizen zaten drie meter verder op de boon. De vlieg legt haar eitje niet naast de nectar. Mijn vuistregel: geen bloeiende schermbloem verder dan twee meter van de plant die je wilt beschermen.
Laat een hoek met luizen staan
Dit is het deel waar bijna iedereen de mist in gaat. Een tuin zonder bladluis is een tuin zonder zweefvlieglarven, want de larve komt niet voor de gezelligheid. Zij komt voor de luizen. Als je in mei alles weghaalt wat onder een blad zit, houd je een tuin over waar niemand wil wonen.
Ik heb een strook brandnetel achter de schuur. Die zie ik niet als onkruid maar als fourage: in april en mei zit daar de brandnetelluis op, en dat is precies het voer waar de eerste lieveheersbeestjes van leven voordat mijn bonen er zijn. De eerste kolonie op de roos of op de vlier laat ik dus staan. Pas als een kolonie echt de groeitop van een jong plantje verstikt, knijp ik de top eruit of spoel ik met de tuinslang.
Eén ding om in de gaten te houden: mieren melken luizen en verdedigen ze tegen lieveheersbeestjes. Zie je een drukke mierenstraat langs een stam omhoog lopen, zet dan een ring van vet of een kleefband om de stam. Dat is geen gif, het is een omleiding.
De winter is het echte werk
Alles wat je in juni ziet lopen, heeft ergens overwinterd. Daar gaat het meestal mis, want dat is precies de maand waarin we alles netjes afknippen en afvoeren.
Lieveheersbeestjes kruipen in oktober in een kiertje van de schuur, achter een rolluik, in een stapel hout, tussen de latten van een oud raam. Laat een hoek van de schuur ongemoeid. Zweefvliegen overwinteren als pop of larve in de bodem, dus spit in het najaar niet je hele bed om. Loopkevers en duizendpoten hebben losse, bedekte grond nodig; op dichte klei of onder tegels houden ze het niet uit. Leg een paar planken of een oude dakpan op de grond en je hebt binnen een seizoen een nachtploeg.
Voor oorwormen, die in de vruchtbomen jagen op luizen en jonge rupsen, werkt een omgekeerd bloempotje met stro op een stok. Voor gaasvliegen is een donker hoekje met wat karton genoeg. En de holle stengels van je zonnebloemen laat je tot dertig centimeter boven de grond staan, al zijn die vooral voor de solitaire bijen; dat mag je gerust twee dingen tegelijk noemen.
Vergeet het water niet. Een ondiepe schaal met kiezelstenen erin, zodat ze kunnen drinken zonder te verdrinken. Een diepe emmer of een gladde vijverrand is voor veel van deze beestjes een dodelijke val.
Wat ik heb afgeleerd
Spuiten, ook met spul dat organisch heet. Pyrethrum en zeep raken alles wat er op dat moment op het blad zit, en in mei is dat net zo vaak een larve als een luis. Ik spuit niet meer in mei en juni. De tuin lost het zelf op, of niet, en dan is dat leerzaam.
Ook afgeleerd: het kastje met gaatjes kopen. Het staat vaak op de verkeerde plek, in de volle middagzon waar de larven uitdrogen of juist in de regen, en het is bovendien meestal voor bijen bedoeld. Een stapel dood hout achter de frambozen kost niets en doet meer.
En het meest heb ik afgeleerd van netjes zijn. Ik had de neiging om in oktober alles tot op de grond af te knippen en af te voeren. Dat is precies de maand waarin de helft van mijn leger zich terugtrekt.
Reken op twee seizoenen
Het eerste jaar is mager. De populatie die je nodig hebt, moet zich nog opbouwen, en dat gaat langzaam: lieveheersbeestjes komen uit de omgeving, niet uit de lucht. Het tweede jaar zie je het kantelen.
En er zijn grenzen. Op een balkon op de vijfde verdieping kun je loopkevers vergeten. Daar werk je met zweefvliegen, gaasvliegen en sluipwespen, en dat is genoeg voor een paar potten en een tomatenplant. In een koud, nat voorjaar lopen de luizen voor op de larven; dan is insectengaas over je jonge planten een beter gereedschap dan welke spray ook, want je houdt de luizen buiten terwijl de rest van de tuin bijtrekt.
De koriander staat er nog. Ik heb er niets aan gedaan, behalve hem laten bloeien. De boon ernaast is schoon. Niet omdat ik iets heb gespoten, maar omdat er iemand anders woonde.