Op stuivend zand komt een groenbemester alleen bovengronds als je het zaaibed eerst vastmaakt, het zaad ondiep weglegt en de eerste week elke dag een klein beetje water geeft. Los, droog zand zuigt het vocht onder het zaad vandaan, waait het zaad van het bed en pakt na een flinke bui zo hard op dat de kiemplanten er niet meer doorheen komen. De volgorde die bij mij werkt is steeds dezelfde: bed aandrukken, zaad met een droge drager mengen en breedwerpig verdelen, 0,5 tot 2 cm diep inwerken, de bovenlaag sluiten, er een dun laagje compost over gooien tegen de vogels, en daarna met kleine giften de bovenste centimeter vochtig houden tot het groen staat.
Ik zet de gieter neer en kijk eerst naar de bomen achter de schutting, aan de kant waar de wind vandaan komt. Dat is op dit bed het eerste wat ik doe, nog voor ik een zak zaad openmaak. Het zand is gisteren geharkt en ligt er grijsgeel bij. Als ik een handvol opneem en laat lopen, waait de helft opzij voordat het de grond raakt. Dat is precies waar het hier misgaat: niet aan de kiemkracht, maar aan zaad dat niet blijft liggen.
Eerst het bed vast, dan pas zaad
Het zand onder mijn voeten voelt los. Ik kan er met twee vingers zo tien centimeter in. Dat lijkt prettig om te zaaien, en dat is het niet. Zaad dat in los zand valt, zakt bij de eerste regen naar beneden en komt in een laag terecht die sneller opdroogt dan de rest van het bed. Bovendien hangt er tussen losse korrels zoveel lucht dat het vocht uit de ondergrond niet omhoog kruipt naar het zaad toe. Zaad kiemt niet van water dat ergens diep zit; het kiemt van water dat het via de korrels direct naast zich kan bereiken.
Wat ik doe is simpel en kost tien minuten. Ik hark het bed vlak, draai de hark om en strijk de bovenlaag met de achterkant glad, en daarna loop ik het hele bed op en neer. Niet als een parkeerplaats, maar zo dat mijn voetstap nog net een randje achterlaat in plaats van een kuil. Op een bed van een paar vierkante meter stamp ik ook wel met de hak naast de teen, in kleine passen, zodat ik geen plekken oversla.
De controle is mijn hand. Ik leg hem plat op het bed en duw. Zakt hij zonder weerstand weg, dan is het nog te los en loop ik nog een ronde. Blijft de palm liggen en voel ik de grond alleen een millimeter meegeven, dan zit het goed genoeg. Meer aandrukken heeft geen zin; dan maak ik van de bovenlaag een plaat waar water op blijft staan en waar kiemplanten moeilijk doorheen komen.
Zaad dat je kunt zien liggen
Het lastigste onderdeel van groenbemester zaaien op zand is niet het zaaien zelf, maar het gelijkmatig verdelen van zaad dat je nauwelijks ziet. Een snufje mosterdzaad is al snel honderden zaden. Als ik dat los over zes vierkante meter strooi, komt er een klont in het midden en blijft de rand leeg, en juist de rand is de plek waar de wind het eerst vat krijgt.
Mijn oplossing is een drager. Ik meng het zaad in een emmer met droog zand, fijne compost of zaagsel, ongeveer één deel zaad op drie delen drager. Het zaad plakt niet aan elkaar, het waait niet weg uit mijn hand, en vooral: ik zie waar ik geweest ben. De lichte drager tekent zich af op het donkere zand, dus ik kan in vakken werken en naast elkaar leggen zonder twee keer over dezelfde strook te gaan.
Op een bed van een paar meter verdeel ik het mengsel in twee of drie porties. De eerste portie gaat over de ene helft in de lengterichting, de tweede over dezelfde helft in de breedterichting, en wat overblijft gebruik ik om de randen bij te werken. Dat kruiselings strooien vult de gaten die je met één richting altijd laat vallen. Bij heel fijne zaden, zoals klaver, houd ik de emmer laag bij de grond en beweeg ik mijn hand langzaam zijwaarts; gooien van bovenaf geeft alleen maar klonten bij mijn voeten.
Diepte: ondiep is hier geen advies maar een eis
De bovenste twee, drie centimeter van dit bed is in een zonnige middag kurkdroog. Zaad dat daaronder terechtkomt, ligt in zand dat het vocht niet vasthoudt en komt pas op als er een flinke bui valt — en dan vaak in één keer, zodat alles tegelijk kiemt en ik later met een ongelijk dek zit te worstelen.
Daarom zaai ik groenbemesters hier op 0,5 tot 2 cm. Ik hark het zaad met de tanden van de hark licht door de bovenlaag, net genoeg om het onder het oppervlak te krijgen, en veeg daarna met de achterkant van de hark of met de platte hand een dun laagje zand erover. Bij heel fijn zaad dek ik af met een paar millimeter gezeefde compost in plaats van met zand; dat houdt vocht beter vast en koekt minder snel dicht.
Wie dieper zaait omdat het zaad dan beter beschermd zou zijn tegen uitdrogen, doet op zand precies het omgekeerde. Het zaad komt in de droge zone, de kieming vertraagt met dagen, en wat opkomt is zwakker en ongelijker. Te ondiep is hier het kleinere risico, zolang je maar blijft begieten.
Sluiten: het werk dat de meeste mensen overslaan
Aanvegen is niet genoeg. Tussen zaad en zand moet contact zitten, anders droogt het zaad alsnog uit ook al ligt het oppervlak vochtig.
Na het aanvegen loop ik het bed nog een keer na met kleine passen, of ik leg een plank neer en schuif daaroverheen als het bed groter is. Voor de breedwerpig gezaaide vakken is een plank over het hele bed het handigst: je drukt gelijkmatig, je verplaatst geen zaad met je zolen, en je ziet meteen waar je geweest bent. Heb je een rol, dan rol je; heb je die niet, dan doet je eigen gewicht hetzelfde werk.
Het verschil merk je na een dag of drie. Op het aangedrukte deel zie ik het vocht in de ochtend nog in de bovenlaag zitten; op het stuk dat ik alleen had aangeharkt, ligt het er kurkdroog bij. Dat is de hele reden dat ik dit doe.
Vogels, korst en de eerste week water
Zaad dat open op zand ligt, is voer. Mussen en vinken vinden een vers gezaaid bed binnen een dag, en ze pikken niet alleen het zaad op dat zichtbaar is: ze krabben ook. Een dun laagje compost, een paar millimeter maar, verbergt het zaad zonder dat het diep komt te liggen. Waar dat niet lukt, leg ik vliesdoek over het bed tot het groen boven staat. Dat doek houdt ook de drogende wind van de bovenlaag af en houdt de korst zacht, wat in de week na het zaaien meer waard is dan het eruitziet.
Die korst is op zand het echte gevaar na een flinke bui. De bovenlaag slaat dicht, droogt in de zon uit tot een harde huid, en de kiemplanten die eronder zitten komen er niet door. Ik heb dat meegemaakt: een bed dat na een nacht met zware regen egaal nat was, lag twee dagen later zo hard dat ik met een vinger niet door het oppervlak kwam. De planten die eronder zaten zijn voor het grootste deel niet boven gekomen.
Daarom geef ik de eerste week liever elke ochtend een korte ronde met de gieter en een fijne broes dan één lange beurt. Ik maak de bovenste centimeter donker en stop dan. Tien minuten per dag, niet honderd minuten in één keer: een grote plens wast zaad weg, spoelt het in kluiten bij elkaar en slaat de bovenlaag dicht — precies wat ik wil voorkomen.
De controle is ook hier mijn vingers. Ik krab een klein stukje van de bovenlaag weg en voel of het zand eronder koel en iets vochtig is. Is dat zo, dan hoeft er niets bij, ook al ziet de bovenkant er droog uit. Voelt het warm en los, dan is het tijd voor de gieter. Op een warme dag met wind kan dat betekenen dat je twee keer gaat; op een bewolkte dag sla je een beurt over.
Rijen of breedwerpig: kies wat je verlies is
Breedwerpig zaaien dekt de grond sneller dicht. Dat is het hele doel van een groenbemester op zand: de bodem bedekt houden zodat de wind er niet bij kan en er geen onkruid tussen komt. Het nadeel is dat je niet meer tussen de planten kunt schoffelen terwijl het dek zich sluit. Onkruid dat meekomt, zit dan tussen het groen en is er met de hand moeilijk uit te halen.
In rijen zaaien — een paar centimeter breed, met tien tot vijftien centimeter ertussen — lost dat op. Je kunt met de schoffel tussen de rijen door zolang het gewas nog klein is, en je ziet meteen waar je gezaaid hebt en waar niet. De prijs is dat het langer duurt voordat de grond bedekt is; de stroken ertussen blijven kaal, drogen uit en waaien weg, en dat is op dit bed precies het probleem dat ik wilde oplossen.
Mijn keuze hangt af van het bed. Op het grote stuk zaai ik breedwerpig en accepteer ik dat ik een paar weken met de hand wied, want daar telt het dichtkomen van de grond het zwaarst. Op een klein bed waar ik toch elke dag langskom, zaai ik in rijen, want dan kan ik tenminste schoffelen en zie ik wat er gebeurt. Wat ik niet doe, is rijen aanhouden en dan alsnog breed uitstrooien, want dan houd ik de nadelen van allebei.
De controle na een week
Na een dag of zeven trek ik een klein plukje zand weg tussen twee zaadjes en kijk of ik het witte worteltje zie. Meestal zie ik dat eerder dan het groen boven de grond komt, en dat is het moment om te blijven begieten zoals ik begon: kort, elke dag, op de bovenlaag.
Blijft het na een dag of tien droog en zie ik niets, dan is de kans groot dat het zaad verdroogd of weggewaaid is. Op zand is opnieuw zaaien dan geen ramp; het is het werk van een half uur en het zaad is het goedkoopste onderdeel van de hele tuin. Wat ik niet doe, is wachten en hopen. Zand vergeeft uitstel niet, en het verschil tussen een dicht dek en een half leeg bed zit bijna altijd in die eerste week — niet in de kwaliteit van het zaad.