Ziek blad hoort niet op de composthoop. Het gaat de tuin uit, in een afgesloten zak, en de schaar, de handen en de potten die het hebben aangeraakt gaan in dezelfde beweging mee. Een gewone tuincomposthoop haalt zelden over de hele hoop de temperatuur waarbij schimmelsporen en bacteriën doodgaan; de buitenrand blijft lauw en juist daar belandt het spul dat je kwijt wilt. Wie in oktober blad met phytophthora, meeldauw of knolvoet op de hoop kiepert, legt de infectie voor het voorjaar al klaar.
Ik sta eind oktober met een emmer tegen mijn heup bij de hoop achterin, in die miezer die je niet nat maakt maar alles wel glibberig. De tomatenstengels zitten onder een grijsbruine waas en de bladeren zijn van dat zachte, natte leer dat je nauwelijks vastpakt zonder dat het uit elkaar valt. Vorig jaar heb ik de emmer hier leeggemaakt, met het gebaar van: de natuur lost het wel op. In mei zaten de eerste vlekken op de onderste bladeren van de nieuwe planten. Of het daardoor kwam weet ik niet. Ik weet wel dat ik het niet meer doe.
De emmer gaat dicht en hij gaat de tuin uit. Niet ver, dat hoeft niet. Als het maar niet op het bed blijft liggen en niet op de hoop terechtkomt.
Wat er zonder discussie uit gaat
Tomaat en aardappel met phytophthora, dat is de eerste. Niet alleen de bladeren met de bruine plekken, maar ook de stengels, ook het deel dat er nog gezond uitziet maar al onder de waas zit. Ik knip ze bij de voet af, laat ze niet op de grond vallen, en ik schud ze niet uit boven het bed. Dat schudden is precies de reflex die je niet moet hebben: elk blaadje dat je lostrekt en even laat wapperen, strooit sporen over de grond waar ze met de regen in de bodem zakken en het jaar erop weer opspatten naar de onderste bladeren.
Knolvoet bij kool is de tweede, en die is venijniger. Je trekt een kool uit de grond en aan de wortel zit zo'n misvormde knobbel, maar wat je makkelijk mist zijn de zijworteltjes die in de kluit blijven hangen. Die rustsporen overleven jaren in de grond. Dus schud ik de kool niet af boven het bed, maar leg ik hem in de kruiwagen en haal ik de wortel erboven uit. Ook het kluitje dat achterblijft in de kruiwagen gaat mee de tuin uit, niet terug over de rand. Dat klinkt pietluttig. Het is ook pietluttig. Maar het is wel het verschil tussen een bed waar je over drie jaar weer kool kunt zetten en een bed waar je het opgeeft.
Meeldauwblad van courgette en komkommer hoort er ook bij, en de afgestorven ranken. En alles wat er duidelijk niet goed uitziet: bont blad, planten die vanaf het begin scheef en misvormd groeien, stengels die van binnen bruin zijn. Dat is geen voeding voor later, dat is een potje ellende dat je op de verwarming zet.
De rand van de hoop is de val
Ik ben niet tegen composteren. Ik ben tegen composteren met de verwachting dat een hoop alles wel verteert. Een hoop die goed werkt, wordt van binnen warm, en dat gebeurt niet bij een paar emmers. Je hebt volume nodig, een kuub of meer, een mix van nat groen en droog bruin, en je moet keren. Keer je niet, dan blijft de buitenste tien centimeter lauw, hoe warm het binnenin ook is. En laat dat nou net de plek zijn waar je met je emmer langsloopt en waar je de natte tomatenstengels het eerst neerlegt.
Mijn test is simpel en ouderwets: ik steek mijn hand in de kern. Voelt het lauw aan, dan werkt de hoop niet en gaat er niets verdachts in. Voelt het heet aan, dan verteert het en kun je het omzetten. Er zijn tuinders die met een compostthermometer werken en dat is precies genoeg, maar het gaat om de vraag achter de meting: haalt de hele hoop het, of alleen het midden?
Gezonde gewasresten mogen er wat mij betreft gewoon op. Erwtenloof, bonenstengels zonder vlekken, wortelgroen, blad van kool waar geen knolvoet aan zat, het onkruid dat nog geen zaad heeft. Klein knippen, mengen met stro of snippers, en na een week of twee omzetten. Wat niet mag, is het grensgeval erbij gooien omdat je geen zin hebt om nog een zak te vullen. De grensgevallen zijn precies de dingen die je niet kunt controleren.
De schaar, de potten, de spiralen
Hier heb ik het langst zitten treuzelen, want het is saai werk en je ziet er niets van terug. Toch is het dezelfde rekening. Aan een snoeischaar blijft een laagje sap zitten dat opdroogt tot een dun filmpje op het blad. Daar zit het in. Aan een handspade zit een rand grond onder de lip. Aan een terracottapot zit het in de poriën, en die krijg je er met afspoelen niet uit.
Wat ik doe is niet ingewikkeld: warm water, een scheut groene zeep, een harde borstel, en daarna laten drogen in de zon of op de vensterbank. Geen bleek, geen alcohol, dat heb ik nooit nodig gevonden en het is ook nergens voor nodig om iets schoon te krijgen. De schaar gaat uit elkaar als dat kan, want in het scharnier blijft het meeste zitten, en daarna weer in elkaar met een druppel olie.
Potten spoel ik uit en zet ik omgekeerd weg, zodat er geen laagje water in blijft staan. Bij terracotta schuur ik de binnenkant na met de borstel. Zaaibakken van plastic krijgen dezelfde behandeling. En de dingen die je vergeet: de spiralen waar de tomaten langs omhoog gingen, het touw waarmee je ze vastzette, de handschoenen, de rand van de kruiwagen. Touw knip ik gewoon door en gooi ik weg, dat kost bijna niets en het scheelt een risico dat je niet kunt zien.
De volgorde is ook iets om over na te denken. Ik werk de gezonde bedden eerst en de zieke bedden als laatste, en tussen die twee gaat de schaar door de borstel. Andersom werkt niet: dan sleep je het hele verhaal mee naar de bedden die nog niets hadden.
Een velletje papier in de schuur
Naast de deur hangt een vel papier met de plattegrond van de tuin, vierkantjes met een letter erin. In oktober schrijf ik erbij wat ik zag. Bed C: tomaat, phytophthora vanaf half augustus. Bed A: kool, knolvoet bij twee planten. Dat is alles. Geen systeem, geen app, geen spreadsheet.
In januari leg ik dat vel naast de zaailijst en dan zie je meteen wat er niet kan. Tomaat en aardappel komen bij mij minstens drie, liever vier jaar niet terug op dezelfde plek. Bij knolvoet denk ik in nog langere termijnen, en dan nog is het geen garantie, want die rustsporen trekken zich niets aan van mijn planning. Verwijderen helpt, maar het is niet genoeg. Wie met knolvoet te maken heeft, moet ook durven besluiten om een bed een tijd iets heel anders te laten doen.
Dat is meteen het eerlijke deel van dit verhaal. Je krijgt nooit alles weg. Sporen zitten in de lucht, in de grond, aan je schoenen, aan het zaad dat je van iemand overneemt. Wat je in oktober doet, is niet het probleem oplossen. Het is de beginhoeveelheid verlagen, zodat het in mei niet meteen misgaat en je een blad kunt weghalen in plaats van een plant.
De emmer gaat dicht. De schaar gaat door de borstel. Het velletje papier krijgt er een regel bij. En dan is het voor dit jaar klaar.

