Zolang de vorst wegblijft, kun je ze in de grond laten

Aardappelen kunnen in de grond blijven zolang de vorst wegblijft, maar of dat verstandig is, hangt aan je grondsoort en niet aan de kalender. Op lichte, goed doorlatende zandgrond met een mulchlaag van stro of blad erover blijven de knollen maanden goed; op natte klei die in de winter dichtslaat, rotten ze weg voordat de kou op zijn strengst is. Wat je ruilt voor het gemak van niet uitgraven, zijn drie concrete risico's: vorst die de bodem in kruipt, muizen en woelmuizen die zich een weg naar de knollen vreten, en rotting in grond die te lang te nat blijft staan. Wie die drie kent, kan per tuin beslissen in plaats van per verhaal.

Ik strooi de laatste rug af op een middag in november, als het licht al om drie uur achter de schuur wegzakt en de grond koud aanvoelt door de want heen. De mestvork gaat er met een doffe tik in en als ik hem omkeer, vallen de kluiten uit elkaar tot los zand. Dat is precies waarom het hier werkt. Zand laat water door, het houdt geen laagje om de knol heen. Klei doet dat wel, en dat is meteen het hele probleem: een aardappel die de hele winter in natte klei zit, is in februari geen aardappel meer maar een zachte, zoetig ruikende prop die je liever niet aanraakt.

Eerst voelen, dan pas afdekken

Voor ik ook maar iets over de ruggen leg, doe ik één ding: ik neem een handvol grond van een spade diep, knijp erin en wrijf het tussen duim en wijsvinger. Valt het uit elkaar en blijft er nauwelijks iets aan mijn hand plakken, dan zit ik op de goede plek. Vormt het een glimmend lint dat over mijn vingers smeert, dan weet ik genoeg, en laat ik dat vak leeg of haal ik alles eruit.

Die kneep zegt meer dan de grondsoort op de kaart van de volkstuin, want binnen één complex kun je van zand naar zavel naar zware klei lopen. Kijk ook naar wat er in december met de sloot gebeurt. Staat het water bijna tegen de rand van het perceel, dan zit het grondwater hoog en leeft jouw rug als een spons. Zit de sloot nog een halve meter onder de kant, dan heb je ruimte.

De drie dingen die je knollen opeten

Vorst

Een mulchlaag van stro of blad met daarover een dunne schep grond houdt lichte vorst tegen. Dat redt je tot een graad of vijf, zes onder nul aan de oppervlakte. Maar die laag is geen deken voor een lange, harde vorstperiode: na een week van min acht en kouder is de vorst dieper in de grond gekropen dan waar jouw knollen liggen. Een bevroren aardappel wordt glazig, zacht en zoet, en gaat daarna rotten. Als de verwachting zo'n periode aankondigt, is de mulch geen antwoord meer.

Muizen en woelmuizen

Hier zit de wreedaardige kant van mulchen. Precies de laag die jouw knollen tegen vorst beschermt, is voor muizen en woelmuizen een warme, droge gang, met eten op ooghoogte. Je merkt het zelden in december. Je merkt het in februari, als je een knol optilt die hol is, met de schil netjes aan de binnenkant opgegeten en een hoopje afval in de holte. Kijk af en toe onder een hoek van de mulch: loopsporen van een paar centimeter breed, donker en kaal gewreven, vertellen je wat er 's nachts gebeurt.

Slugs, wormen en rot

In een zachte, natte decembermaand grazen naaktslakken en regenwormen aan de knollen. Elk gaatje dat ze achterlaten is een open wond, en in een natte rug trekt rotting van de ene knol naar de volgende. Dat is het verschil tussen één mislukte aardappel en een halve rij die je moet weggooien.

Markeer de rijen voordat het loof verdwijnt

Zodra het loof zwart is geworden en in elkaar is gezakt, is de grond vlak. Er is dan niets meer boven de oppervlakte dat je vertelt waar je poten staan. Ik zet daarom aan het begin en het eind van elke rij een stok, met een gekleurd stukje touw of een streep verf bovenin, en ik schrijf in mijn schriftje welke rij welk ras is. Klinkt als huiswerk, maar ik heb ooit in januari met een vork in een lege tuin gestaan zonder te weten waar ik moest prikken. Dat doe je één keer.

Oogsten wanneer het kan, niet wanneer het moet

De regel die bij mij het beste werkt: steek alleen wat je de komende dagen eet, en alleen op een moment dat de grond niet bevroren en niet verzopen is.

In bevroren grond splintert een vork de knollen. Je ziet het niet meteen, maar elke stootplek wordt een rotplek, ook bij het spul dat je die dag meeneemt naar binnen. In doorweekte klei trek je een geul die de rest van de winter vol water blijft staan, en zit alles wat je laat liggen in een plas.

Het goede moment is een droge, zachte dag in december of januari. Mist, een graad of vier, grond die veert onder je laars. De vork gaat er makkelijk in, de knollen komen schoon omhoog, en de rest blijft waar hij hoort. Graaf niet meer dan één rug per keer open; een opengelegde rug hou je niet meer dicht.

Denk ook aan het einde. Blijf niet te lang wachten. Zodra de grond in het vroege voorjaar opwarmt, begint alles wat achterblijft uit te lopen. Dan heb je geen voorraad meer maar pootgoed.

De klem boven de grond

Heb je zandgrond met een lage waterstand, dan is er een alternatief dat het probleem bij de wortel aanpakt: bewaar ze niet in de grond maar in een klem erboven. Stro, een laag knollen, weer stro, en daarover een laag grond. Zet hem in een droog hoekje, niet in een kuil waar water naar toe loopt, en steek er een bundel stro als schoorsteen uit zodat vocht eruit kan. Je moet niet te vroeg afdekken, want zolang het nog zacht is, zweet zo'n hoop en rot hij van binnenuit. En de muizen vinden hem ook, dus je blijft kijken.

Wat je accepteert als je ze laat liggen

De kern is dat je met het laten liggen van je aardappelen gemak koopt en daar drie risico's voor terugkrijgt die je nooit helemaal wegneemt. Op lichte zandgrond met een mulchlaag is de kans gunstig, en het werk dat je bespaart is echt werk: geen gesleep, geen kist, geen kelder die te warm is. Op natte klei is diezelfde mulch vooral een uitnodiging aan muizen boven een bodem die de knollen toch al verzwelgt.

Dus: voel de grond, kijk naar de sloot, markeer je rijen, en dek alleen af als de verwachting meewerkt. Zodra er een lange vorstperiode aankomt of je ziet onder de mulch de eerste loopgangen, haal je ze eruit. Alles wat er dan nog ligt, is het risico niet meer waard.

Over de auteur

De Ochtendplukkers zijn mensen die op kleine schaal groenten, fruit en kruiden telen in Nederlandse tuinen, op balkons en volkstuinen. Ze kennen de ochtenddauw, de zware klei en de eerste aardbeien van het seizoen.