Meet hoeveel zon je tuin echt krijgt voor je gaat zaaien

De zon in je tuin is geen vaste eigenschap van de tuin, maar van het moment waarop je kijkt. Een strook die in mei zes uur direct licht krijgt, kan in september een plek met twee uur zijn, en een hoek die in december de hele dag in de schaduw van een schuur ligt, vangt rond de langste dag vroeg in de ochtend en laat in de avond nog zon. De enige betrouwbare manier om dat echt te weten is een zonlogboek bijhouden: drie vaste momenten per dag, op een paar heldere dagen per seizoen, op vaste punten in de tuin. En daarbij niet alleen uren tellen, maar ook opschrijven wat voor schaduw het is, want het gespikkelde licht onder een boom gedraagt zich heel anders dan de egale schaduw van een muur of een schuur.

Meet hoeveel zon je tuin echt krijgt voor je gaat zaaien

Ik heb jaren gedacht dat ik het wel zag. Je weet waar de zon opkomt, je weet welke hoek 's middags warm aanvoelt, en je zet je tomaten op het gevoel. Dat ging goed tot een middag in september waarop ik langs het bonenbed liep en zag dat de helft van de planten in de schaduw van de heg stond. Niet een randje schaduw, maar de hele namiddag. In mei had daar nog volop zon gestaan. Ik had al die tijd op een aanname getuinierd in plaats van op een waarneming, en dat is precies het verschil dat je met een vel papier en drie wandelingen per jaar wegneemt.

Schaduw is geen toestand maar een bewegende lijn

Wat er in de praktijk misgaat, is dat we het woord schaduw gebruiken voor drie verschillende dingen. Die moet je uit elkaar trekken voordat je iets kunt meten, want het aantal uren zegt op zichzelf bijna niets.

Gespikkeld licht is zon die door blad heen valt, in vlekken die met de wind meebewegen. De plant krijgt echte directe zon, alleen niet continu. Dit is de onderschatte categorie. Sla, spinazie en snijbiet blijven er langer mals dan in de volle middagzon van juli, en onder een boom met een hoge kroon doen tomaten het verrassend goed zolang ze de ochtendzon maar pakken. De rekening komt wel: de boom die dat licht maakt, zuigt ook water en voeding weg, dus je geeft meer water dan je op grond van de schaduw zou denken.

Egaal is de harde schaduw van een schutting, een schuur, een overstek of een muur. Daar komt op dat moment geen directe zon, punt. Maar egaal is niet hetzelfde als donker. Een wit geschilderde muur kaatst licht terug, en de schaduwkant van een zuidmuur is 's ochtends vaak een van de warmste plekken van de tuin, omdat het steen de warmte vasthoudt en 's avonds uitstraalt. Wie alleen naar uren kijkt, ziet dat niet.

Diepe schaduw is de noordkant van een gebouw, de bodem onder een dichte conifeer, de grond onder een gesloten kroon. Geen direct licht, koele vochtige grond, mos in de voegen. Dat is geen plek waar je groente moet forceren. Composthoop, regenton, bankje, een bak met veldsla in een vochtige hoek — meer moet je er niet van willen.

Drie momenten per dag, een stokje, geen apparatuur

Het hele instrumentarium is: vier tot zes stokjes of stenen, een vel papier en je eigen ogen.

Zo doe ik het. In februari, als de bedden nog leeg zijn, loop ik de tuin in en kies de punten waar het om gaat: niet de hele tuin, maar de plekken waar íets moet komen te staan. Het vak langs de schutting, de hoek bij de schuur, de strook achter de heg, de plek waar de bak komt. Elk punt krijgt een stokje, een steen of een omgekeerde pot, en een nummer. Op een vel papier teken ik de tuin in grote lijnen na en zet de nummers erbij. Dat is het hele systeem.

Dan wacht je op een heldere dag en loop je drie keer naar buiten. Rond negen uur, rond één uur, en rond half zes in de zomer of vier uur in de winter. Op elk punt ga je staan, op de hoogte waar je plant komt — twintig centimeter boven de grond, niet op ooghoogte. Dat detail kostte mij een seizoen om te leren: een plek die op 1,80 meter vol in de zon staat, kan op 20 centimeter in de schaduw van een borderrand liggen. En andersom: een laag plekje achter een pot die in de winter het zonlicht wegvangt, blijkt in juni juist open te liggen.

Je noteert per punt drie dingen. Valt je eigen schaduw scherp en donker op de grond, dan is het V, volle zon. Loopt er een schaduwrand over het bed, dan is het H, half. Zie je helemaal geen directe zon, dan is het S, en daar zet je een letter achter: sg voor gespikkeld, se voor egaal, sd voor diep. Zes punten, drie momenten, een kwartier werk per ronde.

Waarom drie en niet zes

Drie momenten splitsen de dag in een ochtend, een midden en een namiddag, en dat is precies genoeg om te zien waar het licht vandaan komt. Een plek kan om negen uur vol in de zon staan en om half zes in de diepe schaduw van de buren liggen; dat is een andere plek dan een die de hele dag half is, ook al komt het gemiddelde op hetzelfde uit.

Zes metingen geven meer cijfers dan je kunt gebruiken. Je gaat een bed niet half anders beplanten omdat het om elf uur net iets anders ligt dan om twee uur. Wat je wél wilt weten is de richting: komt de winst 's ochtends of 's middags, en hoe lang duurt het voordat de schaduwlijn over het bed schuift.

Neem per seizoen vaste kloktijden en schrijf ze op de kaart. Het gaat niet om het ware middaguur; het gaat erom dat je reeksen met elkaar te vergelijken zijn.

De paal en de foto

Wie een jaar lang wil terugkijken zonder iets bij te houden, zet een bamboestok van een meter of anderhalf op een vast punt midden in de tuin. De schaduw die hij werpt vertelt in één oogopslag waar de zon staat en hoe hoog. Zet daarnaast een tegel of een platte steen waar je op gaat staan, en maak van daaruit elke maand een foto op hetzelfde tijdstip, met de paal in beeld.

Eén waarschuwing, want hier gaat het vaak mis. Je telefoon is geen meetinstrument. De camera past de belichting automatisch aan: een donkere hoek wordt opgehelderd en een zonnig bed wordt juist ingetoomd. Foto's naast elkaar leggen om te vergelijken hoe helder het was, levert dus niets op. Vergelijk de vorm: waar loopt de schaduwlijn, hoe groot is het zonnevlek op de grond, hoe ver reikt de schaduw van de paal. De vorm is betrouwbaar, de helderheid niet.

Een meting in mei beschrijft september niet

Op onze breedte staat de zon rond de langste dag hoog en komt hij op in het noordoosten om laat in het noordwesten onder te gaan. Rond de kortste dag blijft hij laag en in het zuiden, en duren de schaduwen de hele dag. Dat heeft twee gevolgen die je in je eigen tuin terugziet.

In de zomer komt er licht uit richtingen die in december nooit voorkomen. Een smalle strook aan de noordkant van het huis, die in januari hopeloos lijkt, kan in juni twee à drie uur vroege zon pakken. Dat is genoeg voor een pot peterselie, een paar slabladeren of een muntplant. In de winter daarentegen blijft de zon laag en zuidelijk, waardoor een heg aan de zuidrand van de tuin van 's ochtends tot 's avonds een schaduw over het hele bed legt. Een decembermeting is dus geen foto van je groeiseizoen.

En het groen zelf verandert mee. Een es of een fruitboom is in april kaal en laat het licht door; vanaf juni is het een dak. Een beukenhaag of een conifeer houdt zijn blad en geeft dus het hele jaar schaduw, waardoor de winterzon de grond erachter nooit bereikt. Tel daarbij op dat een heg groeit: wat je op 60 centimeter plantte, is vijf jaar later 1,80 meter en heeft je bed twee uur licht afgenomen. Je logboek van drie jaar geleden is dan simpelweg verouderd.

Twee metingen per jaar is het minimum: één rond de langste dag, één in september, wanneer de zon al lager staat maar de bomen nog vol blad zitten. Wie aan een kas of winterteelt denkt, doet er een ronde in januari bij.

Wat je daarbij zult merken: de rangorde van je plekken is veel stabieler dan het aantal uren. De zonnigste hoek blijft de zonnigste hoek, hij verliest alleen uren. Voor het toewijzen van gewassen is dat genoeg.

Van logboek naar zaaibed

Zet je punten op een rij van meeste naar minste zon, en verdeel.

Boven de zes uur direct licht in juni: tomaten, paprika, courgette, aubergine, mais, bonen, framboos. Drie tot vijf uur, zeker als de schaduw in de namiddag valt: sla, spinazie, veldsla, snijbiet, radijs, boerenkool, peterselie, bieslook. Diepe schaduw: compost, waterton, bankje — en als je per se iets eetbaars wilt, veldsla of waterkers in een vochtige hoek.

Twee dingen zie je niet in een urenoverzicht, en die zijn in de praktijk vaak belangrijker dan het cijfer zelf.

Het eerste is dat ochtendzon blad droogt. Een plek die vroeg zon vangt, droogt na een regenbui sneller op. Voor alles wat gevoelig is voor bladvlekken en meeldauw weegt dat zwaarder dan een uur extra middagzon: bij twee plekken met evenveel uren kies ik voor tomaten en courgette de plek met de ochtendzon.

Het tweede is stralingswarmte. Een bed tegen een stenen muur of op tegels warmt sneller op en houdt die warmte 's avonds langer vast. Twee plekken met identieke zonuren kunnen weken verschillen in wanneer de grond in het voorjaar bewerkbaar is. Dat is microklimaat, en dat deel lees je niet uit je kaart maar uit je voeten.

Er zitten ook nadelen aan. Een zonnige plek tegen een muur droogt sneller uit en krijgt minder regen. En in een langdurig droge, hete periode is middagschaduw juist een voordeel: voor sla en spinazie is het het verschil tussen mals blijven en doorschieten.

Wat het logboek niet kan, is het gemiddelde geven. Je meet op heldere dagen, en de meeste dagen in Nederland zijn dat niet. Maar daar zit de fout in de vraag: het gaat niet om het gemiddelde, het gaat om het maximum en om de rangorde. Een tomaat heeft op de beste dagen genoeg zon nodig om te rijpen; op een grijze dag rijpt er niets, waar hij ook staat. En de volgorde van je plekken klopt op bewolkte dagen net zo goed.

De grootste beperking is misschien wel dat je moet ophouden. Een jaar loggen is genoeg. Daarna ken je je tuin, en zit je alleen nog je eigen handschrift te bewonderen terwijl het onkruid groeit. Wat je van dat ene jaar overhoudt is geen tabel maar een oordeel: je loopt naar buiten, kijkt naar de schaduwlijn, en je weet waar de tomaten moeten staan.

Over de auteur

De Ochtendplukkers zijn mensen die op kleine schaal groenten, fruit en kruiden telen in Nederlandse tuinen, op balkons en volkstuinen. Ze kennen de ochtenddauw, de zware klei en de eerste aardbeien van het seizoen.