Niet elke appel op je boom is geschikt om te bewaren

Alleen appels van een laatrijp, dikschillig ras zijn het bewaren waard; vroege zomerrassen als Discovery en James Grieve zijn binnen twee tot vier weken meel of rot, en geen bewaartruc draait die volgorde om. Binnen die bovengrens bepaalt de boom zelf hoe ver je komt: calcium in de vrucht, de waterhuishouding van dat seizoen en de dracht van dat jaar maken het verschil tussen een Belle de Boskoop die in februari nog knapt en een die in december al slap wordt. Sterappel, Notarisappel, Golden Delicious, Jonagold en Elstar zitten aan de hoge kant van die bovengrens. Het zijn plafonds, geen garanties.

Niet elke appel op je boom is geschikt om te bewaren

Het moment waarop ik dat beslis is elk jaar hetzelfde. Half oktober, de schuur in, krat op de werkbank, mes ernaast. Ik hoor de appels tegen elkaar rollen als ik het krat neerzet, ruik dat zoete dat tegen gisten aan zit, en pak de eerste eruit. Duim over de schil: taai en glanzend, of dun en makkelijk kreukend. Dan doorsnijden, kijken naar het klokhuis en naar de kleine plekjes onder de schil. In die paar seconden weet ik meestal al in welke volgorde de rest van dat krat opgegeten moet worden.

De bovengrens zit in het ras, niet in je schuur

Tussen twee appels uit dezelfde tuin kan maanden verschil zitten, en dat verschil poets je niet weg met een betere bewaarplek. Wat je aan de ene kant hebt, zijn de late rassen: ze rijpen pas in oktober, hebben een dikke, taaie schil en gaan vervolgens maanden mee. Belle de Boskoop, Sterappel en Notarisappel horen daar van oudsher bij, net als Golden Delicious, Jonagold en Elstar. Aan de andere kant staan de vroege appels, die in augustus of begin september van de boom komen. Discovery en James Grieve zijn de bekendste. Dunne schil, snel rijp, en binnen twee tot vier weken meel of rot.

Daar valt weinig aan te onderhandelen. Een koele schuur, een kelder, de koelkast: die schuiven de grens weken op, geen maanden. Een vroege appel wordt in de koelkast niet opeens een bewaarappel. Hij wordt alleen wat later meel in plaats van meteen rot.

Waarom dezelfde appel het ene jaar wel houdt en het andere niet

Dat is het deel dat de rassenlijstjes overslaan. Je kunt twee jaar achter elkaar Belle de Boskoop plukken en het ene jaar in februari nog een knapperige appel hebben, het andere jaar in december al een zachte. Het ras zet het plafond, het seizoen bepaalt hoe dicht je erbij komt.

Calcium is hier de stille factor. Het komt met het water mee de vrucht in, vooral in de eerste helft van het seizoen als de vrucht groeit; later komt er bijna niets meer bij. Een zomer met lange droogte en dan een paar plensbuien, of een boom die op zand staat en steeds opdroogt, levert vruchten met weinig calcium. Je ziet dat terug als stip, ook wel bitter pit genoemd: kleine bruine, ingezonken plekjes onder de schil, die pas echt opvallen als de appels een tijd liggen, en het vruchtvlees kurkachtig maken.

En dan de dracht. Een oudere boom met een matige oogst geeft appels die beter houden dan een jonge boom die zich het eerste jaar te barsten draagt. Bij zo'n overvolle boom moet hetzelfde calcium over veel meer vruchten verdeeld worden, en loopt het rijpen voor op de kalender: eerder kleur, eerder zacht, sneller weg in de bewaring. Op een sterk dwergende onderstam, een boompje in een pot op het balkon of een kleine patio-aanplant, zie ik dat het duidelijkst. Veel appels, weinig wortelvolume, en dus vruchten die snel rijp zijn en slecht bewaren. Dat is geen plukfout, dat is de verhouding tussen vrucht en boom.

Eén krat met alles erin maakt het onnodig moeilijk

Wat ik het vaakst mis zie gaan, is niet de bewaarplek maar het krat. Alles wat van de boom komt gaat door elkaar, of appels van twee bomen door elkaar, of een ras waarvan de naam allang kwijt is. Daarmee gooi je precies de informatie weg die bepaalt wat je wanneer opeet. Aan de buitenkant zie je niet meer welke appels de vroege zijn.

Ik sorteer daarom per boom, en als ik het ras niet zeker weet, per krat met een datum erop in plaats van een naam. Zit er één vroege appel tussen de late, dan proef je dat nergens aan tot het te laat is. En één rotte appel in een gesloten krat steekt de rest aan; dat is geen gezegde, dat is gewoon hoe het gaat.

Wat ik in mijn handen houd bij het sorteren

Alleen gave appels gaan de bewaring in: met steel eraan, zonder valplek, zonder gaatje, zonder zachte plek. Windfalls blijven eruit, hoe mooi ze er ook uitzien. Ik pluk voor de bewaring net voordat de appel volledig rijp is; een appel die je nu heerlijk vindt, is over drie maanden meestal te ver.

Dan drie bakken. Eén voor nu, één voor de komende weken, één voor de lange bewaring. Per bak snijd ik een paar appels door om te kijken of er stip in zit. Zit het erin, dan weet ik dat die partij als eerste op moet, ook al ziet de schil er prima uit.

De bewaarplek zelf is simpel: koel, vorstvrij, donker en niet kurkdroog, een vochtige schuur of kelder waar de appels niet uitdrogen. Appels zet ik niet naast aardappelen of andere groenten; ze geven ethyleen af en laten dat spul sneller uitlopen of rijpen.

Wat geen enkel trucje oplost

Krantenpapier, een plastic zak met gaatjes, de koelkast: het helpt allemaal een beetje. Maar geen van die dingen verandert de appel zelf. Een appel die een week na het plukken al zacht wordt onder je duim, doet dat in de koelkast ook, alleen later, en dan meel in plaats van rot.

En sommige jaren houdt er gewoon niets. Natte zomer, jonge overbeladen boom, weinig wortelruimte: dan is het niet de bewaarplek die faalt. Ik kijk dan naar de boom. Volgend jaar minder laten dragen, gelijkmatiger water geven in de eerste helft van het seizoen, en opnieuw proberen. De appel die je bewaart, is uiteindelijk de appel die je geteeld hebt.

Over de auteur

De Ochtendplukkers zijn mensen die op kleine schaal groenten, fruit en kruiden telen in Nederlandse tuinen, op balkons en volkstuinen. Ze kennen de ochtenddauw, de zware klei en de eerste aardbeien van het seizoen.