Een alleenstaande appelboom geeft in de meeste gevallen geen of nauwelijks appels, en dat ligt bijna nooit aan vorst, voeding of snoei. De meeste appelrassen zijn zelfsteriel: ze kunnen zichzelf niet bevruchten en hebben stuifmeel nodig van een ander ras dat op hetzelfde moment bloeit. Wie één boom neerzet zonder naar bloeitijd en bestuiver te kijken, kan jaren wachten op een oogst die niet komt. Bestuiving is geen curiositeit voor in de boeken, het is de eerste beperking waarmee de aanplant begint, nog vóór de keuze van het ras.

Half mei sta ik op het tuinpad met een mok koffie in mijn hand. De boom staat vol. Niet een beetje vol: elke tak hangt vol trossen wit-roze bloemen en het gonst er zo dat ik het vanuit de keuken hoor. Vorig jaar stond hij precies zo. Het jaar daarvoor ook. En in september heb ik drie appels gegeten, waarvan één met een rotte plek. Ik heb er een tijd naar staan kijken, want zo'n boom vertelt je niet wat er misgaat. De bladeren zijn groen, de takken groeien, de bloemen zijn er. Alles klopt, behalve het enige waarom het begonnen was.
Wat je pas ziet als je het weet: het is niet de bloem die telt, maar wat er vijf dagen later achter die bloem gebeurt. Loopt het vruchtbeginseltje door, dan is er stuifmeel aangekomen en is de bevruchting gelukt. Blijft het geel en dwarrelt het met de bloemblaadjes mee naar beneden, dan is er niets gebeurd. De boom heeft dan gebloeid voor niets, en jij weet het al in mei in plaats van in september.
Bloemen zijn nog geen bevruchting
Appels en peren werken met een incompatibiliteitsmechanisme in de stijl van de bloem. Eigen stuifmeel wordt herkend als eigen en geblokkeerd voordat het de eicel bereikt. Twee bomen van hetzelfde ras helpen dus niet, en twee stammen van dezelfde boom al helemaal niet. Er moet stuifmeel van een ánder ras komen, en dat ras moet op dat moment bruikbaar stuifmeel afgeven.
Daar zit meteen het tweede probleem: de bloei moet samenvallen. Als de ene boom klaar is voordat de andere begint, is er geen ontmoeting, ook al staan ze drie meter van elkaar.
Bloeigroepen: het enige waar je echt naar moet kijken
Rassen worden ingedeeld in bloeigroepen, meestal genummerd van 1 tot en met 6, van vroeg naar laat. Vroegbloeiers zoals 'Discovery' en 'James Grieve' staan laag in die reeks, middenbloeiers als 'Cox's Orange Pippin', 'Elstar' en 'Golden Delicious' zitten ertussenin, en late rassen als 'Bramley' en 'Goudrenet' hoger. De exacte nummers verschillen per lijst die je erbij pakt. Dat is geen fout in die lijsten, het is het gevolg van klimaat en proeflocatie.
Wat wel vaststaat: rassen in dezelfde groep bloeien in een gewoon jaar samen, en rassen in naast elkaar liggende groepen overlappen meestal nog genoeg. Meer dan één groep verschil is een gok, en in een koud voorjaar is die gok verloren.
En dan doet je eigen tuin nog mee. Een boom tegen een zuidmuur bloeit dagen eerder dan dezelfde boom in de open wind. Een paar dagen is precies het verschil dat je nodig hebt of juist mist. Daarom is de bloeigroep een vertrekpunt en niet het antwoord. Het antwoord zie je in mei, als je naast je eigen boom gaat staan en naar de bomen eromheen kijkt.
De boom die nooit iets teruggeeft
Er is een groep appelrassen die je op dit punt volledig om de tuin leidt: de triploïde rassen. Ze bloeien rijk, ze geven uitstekende appels en ze leveren vrijwel geen bruikbaar stuifmeel. 'Jonagold', 'Goudrenet' (ook wel 'Schone van Boskoop') en 'Bramley' vallen hieronder.
Dat heeft twee kanten. Zo'n boom heeft zelf twee bestuivers nodig in plaats van één, omdat hij niet op zijn eigen stuifmeel kan terugvallen. En hij kan voor geen enkele andere appelboom als bestuiver dienen. De klassieke fout is dan ook deze: een alleenstaande 'Jonagold' die maar niet draagt, en dan 'gewoon nog een appelboom erbij'. Staat daar een tweede triploïde, dan staan er twee bomen die allebei bloeien en elkaar niets geven.
Loop je in mei door de buurt om te kijken wat er als bestuiver rondstaat, dan moet je dus weten welke bomen je kunt wegstrepen. Een 'Jonagold' bij de buren betekent niet dat jouw probleem opgelost is.
Peren doen hetzelfde, met een extra handicap
Bij peren speelt hetzelfde verhaal. De meeste perenrassen zijn zelfsteriel en hebben een tweede ras nodig dat rond dezelfde tijd bloeit. 'Conference' is de uitzondering die de regel bevestigt: die is deels zelfvruchtbaar en geeft ook alleen vrucht, maar met een partner in de buurt draagt hij duidelijk beter.
De extra handicap zit in de timing. Peren bloeien vroeg, vaak eerder dan appels en soms nog voor de laatste koude nachten. Dat is precies de periode waarin er nog weinig bijen vliegen. Staat er dan ook nog maar één perenras in de omgeving, dan blijft er van die vroege bloei weinig over.
Lenen in plaats van planten
Hier komt de kleine tuin in beeld. Bijen, en dan bedoel ik honingbijen maar net zo goed hommels en wilde bijen, vliegen niet ver voordat ze hun portie binnen hebben. Honingbijen blijven doorgaans binnen een paar honderd meter van de kast. Een compatibele appelboom in de aangrenzende tuin, aan de overkant van de sloot of twee straten verderop bestuift jouw boom dus net zo goed als een boom op je eigen erf. Bijen kennen geen erfgrens.
Dus voordat ik iemand een boom laat planten, stuur ik ze in mei naar buiten. Niet in de zomer, niet afgaand op wat er in de herfst bij de buren hangt, maar in mei, als je kunt zien wat er bloeit. Welke bomen staan er in de tuinen rondom? Bloeien die tegelijk met die van jou? En zo ja: welk ras staat daar ongeveer? Een buurman die het zelf niet weet is geen ramp; met een foto en wat speurwerk kom je meestal een heel eind.
En dan de beperking die je er niet uit kunt redeneren. Lenen werkt, tot het niet werkt. Een slecht voorjaar met kou en regen tijdens de bloei zet de bijen stil, en dan is een bestuiver op tweehonderd meter een stuk minder waard dan een op tien meter. En als de buurman zijn boom omzaagt, ben je je bestuiver kwijt zonder dat je er iets tegen kunt doen. Lenen is geen trucje, het is een afhankelijkheid. Meestal een prima afhankelijkheid, maar je moet weten dat je hem aangaat.
De kleinste oplossing: een sierappel
Staat er in de buurt niets bruikbaars en is er ruimte voor precies één boom, dan is de sierappel de meest onderschatte optie. Veel sierappels bloeien over een langere periode dan handappels, soms wel drie weken, en hun stuifmeel wordt door vrijwel elk appelras geaccepteerd. Ze zijn niet kieskeurig en ze bloeien lang genoeg om de bloeitijd van jouw ras te raken, ook als die een paar dagen verschuift.
Qua ruimte hoeft het geen joekel te worden. Er zijn sierappels die klein blijven, en je kunt er een als leiboom of in een grote pot houden. In een tuin waar geen tweede handappel past, past vaak nog wel een sierappel, en die geeft zelf ook nog bloesem en vruchten voor de vogels.
Als er maar één appelboom in past
Er zijn rassen die zichzelf in meer of mindere mate kunnen bevruchten. 'James Grieve' is daarvan de bekendste: die zet in de regel ook alleen vrucht. Maar dat is geen garantie voor een volle oogst, en met een partner erbij draagt hij nog altijd beter. In lijsten kom je meer namen tegen die als 'deels zelfvruchtbaar' staan, en die aanduiding is precies wat er staat: deels. Je kunt er een oogst mee krijgen zonder tweede boom, maar de bestuiving is er niet mee geregeld.
Een tweede route kost geen vierkante meter: laat een tak van een ander ras in de kroon enten. Iemand met ervaring zet in het voorjaar een paar takjes van een diploïd ras op jouw boom, en over een paar jaar bloeit die tak mee. Dan staan er twee rassen in één boom. Het kost je een paar jaar en het is geen klusje voor de eerste keer dat je een mes in een tak zet, maar het is wel de enige oplossing die je tuin niet kleiner maakt.
Twee dingen die je niet moet verwarren
Een boom die het ene jaar vol hangt en het jaar daarna bijna niets geeft, heeft geen bestuivingsprobleem. Dat zijn beurtjaren, een eigenschap van het ras en van de vruchtbelasting van het jaar ervoor.
En de appeltjes die in juni massaal onder de boom liggen zijn meestal de normale junirui: vruchten die wél bevrucht zijn en door de boom zelf worden afgestoten omdat hij er niet genoeg aan kan voeden. Kijk naar de maat. Kleine vruchtjes met het begin van een klokhuis erin zijn junirui. Geel geworden, opgedroogde bloembeginsels die met de bloemblaadjes meevallen zijn mislukte bevruchting. Het eerste is normaal, het tweede is het signaal.
Als ik nu voor iemand een boom uitzoek, begin ik niet bij het ras en niet bij de smaak. Ik begin bij de vraag wat er in mei in de omgeving bloeit, of daar bruikbaar stuifmeel bij zit, en of dat tegelijk bloeit met de boom die er moet komen. Pas daarna komt de vraag welke appel het wordt. Die volgorde is precies omgekeerd aan hoe bijna iedereen het doet, en dat is de reden dat er in zoveel Nederlandse tuinen appelbomen staan die elk jaar prachtig bloeien en nooit iets geven.

