Een dicht hek tegen de wind maakt de schade juist groter. Dat is geen tegenspraak maar stromingsleer: een gesloten wand stopt de wind niet, hij perst hem omhoog over de rand, en achter die rand stort de lucht met wervelingen weer neer op precies de strook waar je je planten hebt gezet. Wat je wilt is een scherm dat de wind doorlaat en afremt, en dat op de juiste plek in je plan staat. Wind is voor mij geen weersomstandigheid die je ondergaat, maar een ontwerpgegeven.

Ik ga nog altijd op een winderige dag met mijn rug naar de wind staan om te voelen waar hij vandaan komt. Meestal is dat het zuidwesten. Zet je naast me in die tuin: gezicht in de wind, handen in de zakken, en kijk. Aan de loefzijde krullen de bladeren van de bonen naar binnen, de grond tussen de rijen is grijs en droog, en de stengels staan allemaal dezelfde kant op gebogen. Loop dan door naar de lijzijde van dat dichte schuurtje bij de ingang. Daar zie je iets geks: een strook waar de grond kaal gewaaid is en waar de planten niet naar één kant buigen maar alle kanten op liggen. Dat is geen beschutting. Dat is turbulentie.
Dat verschil tussen loef en lij is de kern van alles hierna.
Waarom dicht precies het verkeerde doet
Zet een dicht hek of een dichte schutting neer en de wind heeft geen keus: hij moet eroverheen. Boven de rand wordt de stroming samengedrukt en versneld, en aan de lijzijde komt die lucht in een wervelende bel weer naar beneden. Die bel raakt bij een dicht scherm verder van het scherm de grond, en hij raakt hem hard. Het resultaat is dat je een paar meter achter je mooie hek meer beweging hebt dan op een open stuk grond, en dat de bovenste centimeter van je teelaarde daar wegwaait. Je hebt beschutting willen maken en je hebt een wervelwind gemaakt.
Een heg, gaas of winddoek doet iets anders. Omdat er lucht doorheen kan, wordt de wind niet omhoog gedwongen maar afgeremd en in kleinere wervelingen opgedeeld. De stroming blijft rustiger en komt achter het scherm gelijkmatiger tot bedaren. Dat is de hele reden dat een doorlatende constructie wint van een dichte: niet omdat hij meer tegenhoudt, maar omdat hij minder kapotmaakt.
De praktische test die ik aanhoud: kijk of je door het scherm heen daglicht ziet bewegen. Kun je erdoorheen kijken, dan komt de wind er ook door, en dan zit je goed. Is het een lap waar geen licht doorheen komt, dan bouw je een overstort.
Hoe ver dat reikt, en waarom je dat eerst op papier zet
De vuistregel: een scherm beschut aan de lijzijde ongeveer vijf tot tien keer zijn eigen hoogte. Aan de loefzijde rekt het effect ongeveer twee keer de hoogte mee. Een heg van anderhalve meter geeft je dus ruwweg acht tot vijftien meter rustige tuin. Dat is geen detail, dat is je plattegrond.
Teken je tuin eens van boven, zet een pijltje in de richting van de wind, en streep de band achter je scherm af. Alles wat in die band valt, teel je onder andere omstandigheden dan alles daarbuiten. De grond in die band droogt langzamer uit — hij blijft donker en kruimelig als de open bedden al grijs en gescheurd zijn. Dat scheelt je in juli echt een rondgang met de gieter. En in september is het precies datzelfde vochtige bed waar het eerst iets gaat schimmelen. Dat is de rekening die je betaalt.
De zone direct achter het scherm
Wat hoog en breekbaar is, zet je het eerst beschut: klimbonen, suikermaïs, stokbonen die je niet met stok en al wilt zien omwaaien. Wat laag en taai is — wortel, biet, sla, veldsla, radijs — kan best de open rand van de tuin verdragen, daar waar de wind vrij spel heeft. Zo gebruik je de beschutting die je hebt voor de gewassen die hem nodig hebben.
Wil je preciezer zijn: de rustigste band ligt niet pal tegen het scherm maar op ongeveer drie tot vijf keer de hoogte. Direct achter het scherm zit altijd nog wat restwerveling van de overgang. Voor de meeste tuinen maakt dat niks uit, maar voor één teer gewas kan het het verschil zijn tussen wel en geen oogst. De halve meter langs de voet van een heg houd je sowieso vrij: daar zit schaduw, daar zitten wortels, daar kun je niet fatsoenlijk schoffelen.
De zuidkant is een ander verhaal
Een dichte wand is niet overal fout. Aan de noordrand van je bed, met het muurvlak op het zuiden, wil je juist massa. Zo'n muur of schutting vangt overdag warmte en geeft die 's avonds weer af, en hij houdt de koude noordoostenwind tegen die in het voorjaar vorst meebrengt. De schaduw valt aan de achterkant, dus je bed ligt er niet in de weg. De strook van een meter of twee langs zo'n zuidmuur is de warmste plek die je hebt: daar horen de tomaten, de paprika's, de basilicum en de tijm die je buiten zet.
Let wel op waar je precies plant. Op een heldere, windstille nacht koelt de lucht achter een dichte wand sterk af en zakt de kou naar de grond. De strook pal tegen de muur is dan juist de koudste plek van de tuin — kouder dan een stuk open grond. Zet je tomaten dus op een halve meter tot een meter van de muur, niet ertegenaan gedrukt.
En dan de laagste hoek. Koude lucht stroomt als water naar het laagste punt van je tuin en blijft daar staan. Dat is de plek waar de vorst het eerst toeslaat en het laatst weggaat, en het is ook de strook achter een dichte schutting waar de nachtvorst het langst blijft hangen. Vroege aardappelen, aardbeien in bloei, jonge tomatenplanten: niet daar.
Wat je inlevert als je beschut
Beschutting is geen gratis winst. Je ruilt windschade in voor een paar andere dingen, en het loont om die van tevoren te kennen.
Een beschut bed verliest minder vocht, dus je geeft minder water — maar precies daarom is dat bed ook het eerste waar schimmel, meeldauw en slakken de kop opsteken. Een tuin die helemaal dichtgebouwd is met schermen rondom wordt een stille, vochtige kom waar de lucht niet doorstroomt en de vorst 's winters blijft liggen. Beschutting hoort aan de loefzijde. De lijzijde laat je open, zodat de wind er weer uit kan. Anders ruil je een wervelwind in voor een vochtige kuil.
Als een heg er niet komt
Niet iedereen heeft de ruimte of de tijd voor een heg die pas na een paar jaar echt werkt. Gaas of winddoek op palen is dan de logische tussenoplossing: het laat wind door, het is in een middag geplaatst, het is weg te halen als je van plan verandert, en het gooit — mits je het niet meters hoog maakt — geen diepe schaduw over je bedden. Waar je op moet rekenen: doek scheurt, palen gaan scheef staan en de onderrand komt los. Ik loop het in het voorjaar na, voordat de bonen ertegenaan groeien, en dat is meestal genoeg voor een seizoen of wat.
Het nadeel is dat zo'n scherm geen wortels heeft en geen blad, dus het doet niets voor je bodem, je insecten of je waterhuishouding. Een heg doet dat allemaal wel, maar kost je een strook grond, wortelconcurrentie langs de rand en schaduw aan de noordkant. Dat is de afweging, en die is per tuin anders.
Zo teken ik het op een briefje
Windrichting erop, het zuidwesten als pijl. Een doorlatend scherm aan de zuidwest- en westkant, zo hoog als je kunt verantwoorden zonder je eigen licht te blokkeren. De band van vijf tot tien keer die hoogte arceren en daar de breekbare, hoge gewassen neerzetten; de open rand voor het taaie spul. Een massa aan de noordkant voor warmte en voor de noordoostenwind. De laagste hoek blijft leeg tot het laat in het voorjaar is. En de lijzijde blijft open.
Dat is alles. Geen hek dat de wind tegenhoudt, maar een plan dat hem laat gaan waar hij heen wil.