Op een balkon op het zuiden doen rozemarijn en tijm het best

Op een balkon op het zuiden doen rozemarijn, tijm en lavendel het best, maar niet omdat ze nu eenmaal van zon houden. Ze doen het best omdat ze zijn opgewassen tegen de twee dingen die zo'n balkon het hardst doet: warmte die 's middags van de muur terugkaatst, en wind die ongehinderd over de rand komt. Soorten die dat niet verdragen, zoals basilicum en peterselie in de volle middagzon, horen op datzelfde balkon ergens anders te staan. Een balkon is geen tuin op hoogte; het is een paar vierkante meter met vier of vijf verschillende klimaten, en het verschil zit soms in een halve meter.

Op een balkon op het zuiden doen rozemarijn en tijm het best

Het is vier uur in de middag, ergens in juni, en je staat op mijn balkon op het zuiden. De tegels zijn warm onder je schoenen, maar dat is niet wat je het eerst merkt. Je merkt de muur. Leg je hand op het metselwerk achter de potten en je trekt hem terug alsof je een theepot aanraakt. Die muur heeft sinds een uur of tien onafgebroken zon gehad en begint nu terug te stralen. De lucht tussen muur en leuning is een paar graden warmer dan de lucht bij de voordeur.

Loop naar de leuning en steek je hand boven de rand. Ander verhaal. De wind die tussen de flats door komt, heeft op drie hoog niets meer dat hem afremt. Beneden in de tuin gaan windvlagen door heggen en schuttingen en komen ze uitgeput aan; hier komen ze recht over de rand. Voel aan de bladeren van de basilicum die daar staat: dun, slap, aan de randen wat bruin. Zet je hand even op de tijm ernaast en het verschil is meteen duidelijk. Naaldjes, taai, nauwelijks bewogen.

Til dan de pot tijm op die tegen de muur staat. Zwaar, of in elk geval zwaarder dan je verwacht. Til de pot peterselie op die een halve meter naar voren staat, meer in de tocht. Verrassend licht. Dezelfde grond, dezelfde gieter, dezelfde week. De pot die in de wind staat is eerder leeg, en dat zie je niet aan de bovenkant van de grond. Dat voel je aan het gewicht.

De muur is geen zon, het is een verwarming

Op een zuid- of westbalkon begint het seizoen vroeger dan in de volle grond. De muur vangt in maart al warmte en geeft die 's avonds langzaam terug. Voor rozemarijn, tijm, lavendel, oregano en salie is dat precies wat ze gewend zijn: ze komen van rotsige, warme, winderige plekken, met kleine of naaldvormige bladeren en olie in het blad. Ze verliezen daardoor minder vocht dan een groot, zacht blad als dat van basilicum.

Maar verdragen is iets anders dan niets nodig hebben. Een rozemarijn tegen een hete zuidmuur kan op een windstille julidag alsnog slap hangen als de pot klein is. Het voordeel van die muur is dat de plant minder snel koud staat en eerder op gang komt; het nadeel is dat de pot 's avonds nauwelijks afkoelt. Voor slasoortjes, spinazie of koriander is dat funest — die schieten door of blijven kwijnen. Voor de mediterrane kruiden is het precies genoeg.

Nog iets wat je aan de muur merkt: de pot zelf wordt heter dan je denkt. Een donkere pot in de volle zon warmt aan de zonkant flink op, en de wortels zitten daar tegenaan. Dunne, donkere potten lopen het snelst op; dikke, lichte potten blijven koeler. Dat is geen kwestie van smaak, het is gewoon de hoeveelheid warmte die het materiaal doorlaat en vasthoudt.

Wind droogt sneller dan de zon

Op de begane grond wordt wind geremd door heggen, schuttingen en gebouwen. Op een balkon op drie hoog is dat remmende laagje er niet meer. Bewegende lucht neemt vocht mee van het blad, en het blad moet dat aanvullen uit de pot. Diezelfde lucht droogt ook het oppervlak van de potgrond uit, en de bovenste centimeter kan kurkdroog aanvoelen terwijl er twee centimeter lager nog genoeg vocht zit.

Daarom doe ik het niet meer met een vinger in de grond. Ik til de pot op. Zwaar is nat, licht is droog, en dat is op een winderig balkon een betrouwbaarder maat dan de kalender. Een pot langs de leuning vraagt vaker een controle dan een pot die in de hoek tussen muur en zijwand staat, ook als ze even groot zijn en dezelfde plant bevatten.

Er zit nog een effect aan vast dat mensen vaak vergeten: het balkon boven je is een dak. Regen komt er maar half binnen, en de strook direct langs de muur blijft bijna altijd droog. Je potten krijgen dus minder water van boven dan de tuin beneden, terwijl de wind er meer uithaalt. Dat is de dubbele droogte van een balkon.

Terracotta, ongeglazuurd, ademt door de wand en verliest daar water. Wind jaagt dat verlies op. Plastic houdt het langer vast, met het risico dat je juist te veel geeft in een beschutte hoek. Geen van de twee is beter; ze vragen alleen een andere hand.

Vier plekken op één balkon

Tegen de muur, aan de zuid- of westkant, zit de warmste strook en de minste wind. Daar horen rozemarijn, tijm, lavendel, oregano en salie. Ze krijgen er de meeste warmteuren en de minste klappen.

Langs de leuning zit de meeste wind en het meeste licht. Alles wat daar staat, moet tegen beweging kunnen. Zet er geen jonge zaailingen neer en geen basilicum; die waait letterlijk stuk voordat hij volwassen is.

De hoek is de plek met beschutting aan één kant en vaak een paar uur schaduw per dag. Dat is de plek voor peterselie, bieslook en munt — soorten die niet tegen de volle middagzon hoeven en liever wat vochtiger staan. Let daar wel op dat het niet te nat blijft, want een beschutte hoek droogt ook traag.

Direct bij de deur, onder de overkapping van het balkon boven, is het koeler en schaduwrijker. Daar zet ik in de zomer de basilicum, zodat hij de uren tussen twaalf en vier niet meemaakt. Hij wil licht, geen branding. Ochtendzon tot een uur of elf en daarna schaduw is voor basilicum precies goed.

Noord is niet hetzelfde als donker

Op een balkon op het noorden blijven rozemarijn, tijm en lavendel leven, maar ze worden ijl, houterig en veel minder geurig. Ze maken de oliën waar het om gaat vooral onder sterke zon, dus zonder die zon lever je smaak in. Niet dood, wel teleurstellend.

Bieslook, peterselie en munt doen het daar juist prima. Die willen helemaal niet de hele dag in de felle zon staan en hebben baat bij een grond die langer vochtig blijft. Op een noordbalkon verschuift het probleem: niet uitdrogen, maar te nat worden. Controleer of overtollig water echt weg kan en geef liever wat minder dan wat meer.

En haal 'noord' niet door elkaar met 'nooit zon'. In juni komt de zon in Nederland in het noordoosten op en gaat hij in het noordwesten onder. Een noordbalkon dat niet diep is ingebouwd, vangt dan 's ochtends vroeg en 's avonds laat een tijdje directe zon. Hoeveel dat is, hangt af van hoe ver je terugligt onder het balkon boven en wat er tegenover staat. Kijk het gewoon een dag na.

Groeperen en een paar centimeter lucht

Losse potten vangen alle wind. Een groep potten tegen elkaar gedraagt zich anders: de wind breekt op de voorste pot en de potten erachter krijgen minder te verduren, en tussen de bladeren blijft een wat vochtiger laagje hangen. Zet de dorstigste planten achteraan en de taaie soorten aan de windkant, dan doen ze zelf het werk.

Wat ook scheelt, is de pot niet plat op de tegels laten staan. Op een zomermiddag wordt de vloer van een zuidbalkon flink heet, en dan bakt de onderkant van de pot mee. Staat de pot strak op de grond, dan kan het water er bovendien niet goed onderdoor en blijft de onderste laag nat terwijl de bovenkant al droog is. Een paar centimeter lucht eronder lost beide op. Twee platte stenen, een stukje tegel, wat je toch hebt liggen.

Loop je balkon rond voor je iets neerzet

Doe hetzelfde als wat je net deed, maar dan in maart, in juni en op een vroege ochtend. Let niet op de planten, let op jezelf: waar zou je gaan zitten met een kop thee? Waar is het in maart al aangenaam en in juli niet meer uit te houden? Dat zijn je zones.

Daarna is het een kwestie van plaatsen en een keer per jaar verschuiven. De rozemarijn tegen de muur, de tijm aan de rand van die warme strook, de peterselie en bieslook in de hoek, de basilicum bij de deur waar de middagzon niet komt. Water geven op gewicht, niet op schema. En niet vergeten dat een balkon geen tuin op hoogte is: het is een verzameling kleine klimaten die je alleen leert kennen door er af en toe met je handen aan te zitten.

Over de auteur

De Ochtendplukkers zijn mensen die op kleine schaal groenten, fruit en kruiden telen in Nederlandse tuinen, op balkons en volkstuinen. Ze kennen de ochtenddauw, de zware klei en de eerste aardbeien van het seizoen.