Zaai op precies twee tot drie keer de dikte van het zaad

Zaai op twee tot drie keer de dikte van het zaad en zet de rij zo wijd dat de volgroeide plant hem straks zelf vult. Die twee getallen, diepte en rijafstand, beslissen of een rij opkomt en of je er later nog iets aan hebt; de rest van de zakjesinstructie is bijzaak. Een snijboon van bijna een centimeter dik gaat dus twee tot drie centimeter de grond in, een slazaadje van een millimeter blijft vrijwel aan de oppervlakte.

Ik zit op mijn knieën op het tweede bed. Het is de eerste zaterdag dat de grond na een natte week weer kruimelt in plaats van aan mijn schoenen plakt, en ik heb de schoffel ondersteboven in mijn hand. Met de hoek trek ik een geul. Niet met mijn vinger, want een vinger duwt op de ene plek dieper dan op de andere, en dat zie je later terug: een rij die hier en daar een dag later bovenkomt, en op de slechte plekken helemaal niet.

Mijn maat is het zaad zelf. Ik leg een bietenzaadje naast de geul, kijk ernaar, en maak de geul precies zo diep als twee of drie van die zaadjes op elkaar. Dat is geen meetsysteem, dat is kijken. Bij een erwt komt er iets heel anders uit dan bij een wortelzaadje, en dat verschil zie je in je hand voordat je het in de grond stopt.

Het zaad als liniaal

Wat diepte namelijk doet, is de kiemplant een budget geven. Er zit genoeg in dat zaadje om een worteltje de grond in te sturen en een spruit omhoog te duwen, en daarna moet er licht zijn. Zit het te diep, dan is het budget op voordat het groen iets ziet. Dan heb je geen worteltje en geen spruit, maar een leeg plekje waar je niets aan afziet. Daarom zaai ik liever een keer te ondiep dan te diep — te ondiep zie ik tenminste nog gebeuren, dan droogt het uit of het staat er, en kan ik bijsturen.

De eerste jaren dat ik dit deed, geloofde ik de zakjes. Er stond een centimeter, dus ik maakte een centimeter. Wat ik toen niet snapte, is dat zo'n getal is geschreven voor een gemiddelde grond, een gemiddelde vochtigheid en een zaadje dat het in het laboratorium goed deed. Op mijn kleigrond met een korstje in mei is dat een ander verhaal dan op de zandgrond van mijn schoonvader, waar alles wat losser ligt en sneller opwarmt maar ook sneller uitdroogt.

Te diep is de gewone fout

Ik hoor mensen vaak zeggen dat ze "te ondiep" hebben gezaaid als er niets opkomt. Meestal is het omgekeerd. Te diep zaaien is de stilste mislukking die er is: er gebeurt niets, er is niets te zien, en je zoekt het in het weer, in de vogels, in het zaad. Ik ben er zelf achter gekomen door een rij bonen waar ik trots een goede vingerdiep in had geduwd. Drie weken later stond er niets, en toen ik nieuwsgierig ging graven vond ik ze: gekiemd, een centimeter of twee omhoog, en gestopt. Ze hadden het niet gehaald.

Er is nog een tweede manier waarop diepte je nek omdraait, en die heeft niets met het zaad te maken maar met het oppervlak. Zaai je ondiep en geef je daarna een flinke plens water op klei, dan vormt zich een korst. Die korst is keihard en een kiemplantje van een paar millimeter komt er niet doorheen. Ik geef daarom na het zaaien met de fijne broes, in twee keer, en ik dek de rij soms af met een handje losse grond of een paar takjes tot het eerste groen zich laat zien. Dat is geen verfijning, dat is het verschil tussen een rij en geen rij.

Drie groepen, niet twintig zakjes

Op een gegeven moment ben ik opgehouden met per gewas te onthouden wat er op het zakje staat. Ik denk nu in drie groepen, en die groepen volgen de grootte van het zaad.

De eerste groep is wat bijna geen bedding verdraagt: sla, dille, selderij. Die worden op de oppervlakte aangedrukt en krijgen hooguit wat grond uit een zeefje, net genoeg om ze niet te laten wegwaaien. Zaai je die een centimeter diep, dan kun je ze net zo goed weggooien. Selderij is wat dat betreft de strengste van het stel; die wil licht en geduld, en ik heb er meer dan eens te weinig van beide gehad.

De tweede groep ligt er tussenin en is de lastigste om goed te doen: peterselie, ui, biet. Een dun laagje, niet meer. Biet is een geval apart, want wat je in je hand hebt is geen zaadje maar een kluwen van twee of drie zaden bij elkaar. Je zaait dus altijd een polletje, hoe netjes je ook werkt, en dat polletje moet later worden uitgedund. Dat is geen fout in je techniek, dat zit in het zaad.

De derde groep is het dikke spul: boon, erwt, courgette, zonnebloem. Die kunnen wel wat hebben, en die hebben ook wat nodig, want ze moeten met een stevige bocht door een flinke laag grond. Een erwt die je te ondiep legt, komt wel op maar hangt daarna te bungelen; die duw ik dus gerust een paar centimeter weg.

De tweede regel: de plant die er komt

Diepte bepaalt of de plant arriveert, rijafstand bepaalt of het de moeite was. En dat tweede getal wordt vaak uit het zakje gelezen terwijl het eigenlijk uit de plant zelf komt. Wat ik aanhoud is de ruimte die het volgroeide gewas nodig heeft, niet de ruimte die het zaadje nu nodig heeft.

Biet zaai ik op rijen van ongeveer 25 tot 30 centimeter, want die plant maakt groot blad en je wilt er straks met je hand bij kunnen om te oogsten. Wortel mag dichter bij elkaar, 20 tot 25 centimeter, omdat het loof fijn is en je de rijen toch leegtrekt naarmate je oogst. Stamslaboon gaat naar 40 tot 50 centimeter, niet omdat de plant zo breed is maar omdat je er tussen moet kunnen lopen zonder de bloemen eraf te slaan; bonen die je tijdens het oogsten omverloopt, geven dat jaar minder.

En dan het punt waar die twee getallen elkaar raken. Diepte en rijafstand zijn geen twee losse regels, het zijn twee knoppen voor dezelfde vraag: hoeveel planten wil ik per strekkende meter, en hoeveel energie geef ik elk ervan om boven te komen? Zaai je diep en dicht, dan krijg je een rij die half opkomt en waar je niets mee kunt. Zaai je ondiep en dicht, dan krijg je een groene haag die je moet uitdunnen, en dat uitdunnen is precies het werk dat je jezelf hebt aangedaan.

Een handje zand en een handje geduld

Fijn zaad strooi je niet, dat gooi je. Ik meng wortelzaad met droog zand, ongeveer een derde zaad op twee derde zand, en dan verdeel ik dat mengsel langs de geul. Niet omdat het magisch is, maar omdat je met zand in je hand ziet wat je doet: de korrels vallen gelijkmatiger en je houdt op voordat je een klomp zaad op één plek hebt liggen. Wat je te dicht zaait, moet je later met de hand weer uit elkaar trekken, en dat is de duurste vorm van tuinieren die ik ken.

Ik zaai daarom liever iets ruimer dan te ruim, als je begrijpt wat ik bedoel: liever een rij met hier en daar een gaatje dan een rij waar ik drie avonden aan het uitdunnen ben. Als er dan een plek leeg blijft, zaai ik daar gewoon een nieuw zaadje bij op het moment dat ik het zie.

Wat er niet op het zakje staat

Wat je op een zakje nooit leest, is dat de omstandigheden de regel verschuiven. Op zware klei, waar de grond dicht slaat, zaai ik ondieper dan de regel zegt, omdat de korst anders de kiemplant tegenhoudt. Op zand, waar het water zo weg is, zaai ik juist iets dieper, zodat het zaad niet uitdroogt voordat het kiemt. In een koude, natte mei ligt alles trager en is te diep zaaien extra genadeloos, want het zaad ligt langer te wachten en te verteren.

En er is nog een getal dat niemand je geeft: het kiempercentage. Van een zakje van vorig jaar kun je niet verwachten dat elk zaadje het doet. Ik zaai daarom uit een oud zakje wat dichter, en ik accepteer dat ik dan later meer moet uitdunnen. Dat is geen slordigheid, dat is rekenen met wat je hebt.

Twee weken later loop ik dezelfde rij langs. De bieten staan er, hier en daar met een gaatje, en op de plek waar ik te diep heb gezeten staat niets. Ik weet nu welke hoek van de schoffel ik volgende keer moet hebben, en dat is precies de kennis die je niet uit een zakje haalt.

Over de auteur

De Ochtendplukkers zijn mensen die op kleine schaal groenten, fruit en kruiden telen in Nederlandse tuinen, op balkons en volkstuinen. Ze kennen de ochtenddauw, de zware klei en de eerste aardbeien van het seizoen.