Eén natte zomer kan je hele appeloogst kosten aan schurft

De belangrijkste maatregel tegen appelschurft is opruimen, niet bespuiten: de schurftschimmel overwintert in de gevallen bladeren onder de boom, en wie dat blad in het najaar weghaalt en van het perceel afvoert, haalt de grootste infectiebron voor het volgende voorjaar weg. Zonder dat opruimen begint elk seizoen opnieuw met dezelfde besmetting, hoe netjes je ook snoeit en hoe droog de zomer daarna ook valt. Die volgorde — eerst de levenscyclus, dan de maatregel — werkt bij schurft, en precies zo bij rotte plekken, luizen, rupsen en vogels die je rijpe fruit openpikken.

Ik sta in november onder de oude boom achter in de tuin. Het blad is nat, het plakt aan de hark en er zitten al van die doffe zwarte vlekken op die ik in juni nog niet zag. Dat is het moment waarop het volgende seizoen eigenlijk al beslist wordt. Ik hark alles bij elkaar, ook het blad dat tussen de wortels is gewaaid en het blad tegen de schuurmuur, en ik kieper het in de groene bak. Jarenlang heb ik het op de composthoop naast de stam gegooid, omdat dat handig leek, en jarenlang begon de boom in mei weer met vlekken. Pas toen ik die hoop verplaatste naar de andere kant van de tuin, werd het voorjaar rustiger.

Wat er gebeurt is niet ingewikkeld. De schimmel zit in dat dode blad de winter door, en zodra het voorjaar nat wordt, komen de sporen vrij en waaien ze omhoog de boom in. Een paar vochtige dagen in april of mei zijn genoeg. Daarom zie je in juni het resultaat van het weer van april: olijfgroene tot bruine vlekken op de bladeren, soms met een fluwelig randje, en op de vruchten later van die harde, kurkachtige schurftplekken die openbarsten als de appel groeit. Het blad is dan alweer bijna vergeten. De vlek is ouder dan het moment waarop je hem ziet.

Ik heb geleerd om in juni ondersteboven in die boom te hangen en bladeren om te draaien. Niet om te tellen, maar om te voelen hoe erg het is. Een paar vlekken laag in de kroon na een natte meimaand betekent iets anders dan vlekken tot in de top. En het maakt uit waar de boom staat: naast een meidoornhaag of met buren die hun blad laten liggen, kun je nooit alle sporen weghalen. Dat is de eerlijke kant van het verhaal. Opruimen helpt veel, maar het is geen schakelaar. Een koele, natte lente na een schone herfst geeft alsnog schurft, en een oud ras dat er gevoelig voor is blijft gevoelig, ook als je niets laat liggen.

Wat je in juni nog kunt doen

Snoeien is de tweede helft van dezelfde maatregel. Een kroon waar de wind doorheen gaat, droogt na een regenbui veel sneller op, en die opdroogtijd is precies wat bepaalt of een spore wel of niet kiemt. Ik haal in de winter dood hout en kruisend hout weg en ik durf ook gewoon takken terug te zetten, ook al ziet de boom er dan even kaal uit. In de zomer dun ik vruchten: waar drie of vier appels tegen elkaar hangen, laat ik er één zitten. Dat lijkt zonde, tot je in september ziet dat de appels die vrij hingen gaaf zijn en de trosjes eronder niet.

Schurft is niet het enige dat van blad naar boom wandelt. Ik heb een keer een rij appels op een krat zien veranderen in een bruine smurrie omdat er één rotte appel tussen zat. Bruinrot komt binnen via een wond — een scheurtje van schurft, een pikgaatje van een vogel, een valplek — en verspreidt zich daarna via de vruchten die elkaar raken. Sindsdien ga ik in augustus en september met een emmer de tuin in en pluk alles wat een bruine kring met lichte bultjes vertoont er meteen uit. Ik leg ze niet onder de boom, want daar zitten de mummies die het jaar erna weer meedoen. De vrucht die eraan hangt met een rotte plek knip ik door midden om te zien hoe ver het zit; zit het bij het klokhuis, dan gaat de hele appel weg.

Krullebollen

Aan het eind van een jonge scheut, in mei, zie je de bladeren ineengedraaid en plakkerig. Ik vouw ze open en dan zit daar de kolonie: groen, soms zwart, soms met mieren die er als herders bij lopen. Luizen zuigen aan het jonge weefsel en het blad groeit krom verder, ook als de luizen daarna weg zijn. Dat kromme blad blijft krom. Ik spuit ze er met de tuinslang af, met een harde straal, en ik herhaal dat om de paar dagen als het droog is. Wat mij het meest heeft geholpen is niet harder spuiten maar langer wachten: in een tuin waar lieveheersbeestjes, zweefvlieglarven en oorwormen een plek hebben, loopt zo'n kolonie vanzelf leeg. Maar dat vraagt wel dat je niet meteen ingrijpt bij het eerste gekrulde blad, en dat is lastiger dan het klinkt.

Het gaatje met de kruimels

Bij de oogst zie je soms een klein gaatje aan de zijkant of bij het klokhuis, met bruine kruimels eronder. Dat is de larve van de fruitmot, die in de appel of peer naar het klokhuis eet. De mot vliegt in de zomer en zet eieren af op de vrucht; wat je in september vindt, is het eindpunt van een cyclus die in juni begon. Een feromoonval vertelt je wanneer de vlucht begint, zodat je weet wanneer je moet opletten, maar hij haalt een bestaande aantasting niet weg. Wat ik wel doe: in augustus een strook golfkarton om de stam binden, want de larven zoeken een ruwe schuilplek om te verpoppen. In november haal ik die strook eraf en gooi hem weg, ver van de boom. En ik raap de gevallen appels op, want daar komen de larven uit.

Een kale bes is een eigen verhaal. Kruisbessen kunnen in mei en juni binnen een week van vol naar naakt gaan: de larven van de bessenzaagwesp beginnen klein en onopvallend in het hart van de struik en vreten daarna alles weg wat groen is. Er zijn meer generaties per seizoen, dus als je pas kijkt als de struik kaal is, ben je te laat voor die ronde maar niet voor de volgende. Ik knijp nu elke week even in de struik en kijk naar de eerste doorgevreten blaadjes aan de binnenkant. Wat ik zie, haal ik met de hand weg. Het is saai werk en het ruikt naar bes, maar het is de enige manier om te voorkomen dat je in juli naar een bos takken staat te kijken.

Als het rijp is, wordt het kwetsbaar

Grijze schimmel volgt beschadiging en opgesloten vocht. Een tros appels of peren die te dicht op elkaar hangt, blijft na een regenbui uren nat en dat is precies waar botrytis van houdt. Dunnen en lucht door de rij laten is daar de tegenmaatregel, en op tijd plukken: fruit dat te lang hangt, rijpt door, barst en is dan een open deur. Hetzelfde geldt voor vogels en wespen. Een merel die één appel openpikt, maakt een wond waar binnen twee dagen rot in zit, en wespen in augustus doen hetzelfde. Netten zijn bij mij de oplossing die overblijft, simpelweg omdat er niets anders is dat werkt op het moment dat de vrucht zoet is. Ik hang ze ruim over de boom, niet strak erop, anders pikken de vogels er alsnog doorheen.

Aan het eind van de zomer staat er bij mij een emmer sop en een doek bij de schuur. Ik maak de snoeischaar schoon tussen twee bomen, zeker als ik net een tak met schurft of een rotte vrucht heb weggeknipt. Zieke takken gaan niet op de hoop naast de boom maar in de bak of in de zak naar de milieustraat. Dat klinkt als een detail en het is geen detail: het is dezelfde regel als die novemberhark, alleen in een andere maand. De schimmel en de larve en de luis zitten ergens in een stadium dat je niet ziet, en daar grijp je in. De rest is geduld en weer.

Over de auteur

De Ochtendplukkers zijn mensen die op kleine schaal groenten, fruit en kruiden telen in Nederlandse tuinen, op balkons en volkstuinen. Ze kennen de ochtenddauw, de zware klei en de eerste aardbeien van het seizoen.