Waarom één appelboom in je tuin bijna nooit appels geeft

Eén appelboom in de tuin geeft bijna nooit appels, en dat ligt zelden aan de grond of aan de verzorging. De meeste appelrassen zijn niet zelfbestuivend: ze hebben stuifmeel nodig van een ander ras dat in dezelfde of een direct aangrenzende bloeigroep bloeit. Bij een triploïd ras als Bramley's Seedling, Jonagold of Schone van Boskoop komt daar een tweede eis bovenop, want zo'n boom levert zelf nauwelijks kiemkrachtig stuifmeel. Regel je verder niets, dan pluk je in een goed voorjaar een handvol appels en in een koud voorjaar helemaal niets.

Eerst de buren, dan je eigen boom

Ik sta in mei met een mok koffie bij de schutting en kijk niet naar mijn eigen boompje maar naar dat van de buren, twee tuinen verder. Een oude hoogstam die elk jaar één witte wolk is. Mijn boom stond dat jaar ook vol. In september hingen er vier appels aan, twee ervan aangevreten.

Pas toen ik de twee bloeiverloopjes naast elkaar legde, zag ik wat er mis was. De buurman bloeide bijna twee weken eerder. Toen bij mij de eerste bloemen opengingen, was zijn piek al voorbij en vloog er geen bij van betekenis meer rond. Aan zijn boom mankeerde niets, aan de mijne mankeerde niets, maar de twee gebeurtenissen vielen niet samen.

Dat is de kern, en het is precies het punt dat je op geen enkel label in het tuincentrum terugvindt. De vraag is niet of er een appelboom in de buurt staat. De vraag is of er tegelijk bloemen openstaan.

Bloeigroepen: een kalender, geen etiket

Appelrassen worden ingedeeld in bloeigroepen: vroeg, midden en laat. Een bestuiver moet uit dezelfde groep komen of uit een groep die er direct tegenaan ligt. Vroeg naast vroeg of midden, laat naast midden of laat. Zet je een vroege naast een late, dan kunnen beide bomen kerngezond zijn en toch niets voor elkaar betekenen.

In Nederland loopt dat grofweg van eind april tot half mei, met de late rassen er nog een stuk achteraan. Het zijn geen vaste datums; het schuift een week op met een koud voorjaar en een week terug met een vroege zon. Daarom is het verstandiger om te mikken op twee rassen die elkaar ruim overlappen dan op twee die volgens het boekje exact gelijk bloeien. Vroeg plus midden, of midden plus laat: dan heb je altijd een paar dagen waarin beide bomen openstaan, ook als het seizoen raar loopt.

Er zit nog een tweede voordeel aan die spreiding. Twee rassen in precies dezelfde vroege groep lopen bij een nachtvorst in april samen schade op. Zet je de ene wat later, dan houd je in elk geval één kandidaat over.

De boom die niets teruggeeft

Er is een categorie appelbomen die er in de catalogus volstrekt normaal uitziet en die je toch beter kunt laten staan als je maar ruimte hebt voor één of twee bomen: de triploïden. Bramley's Seedling is de bekendste, Jonagold en Schone van Boskoop horen er ook bij.

Zo'n boom bloeit rijk, groeit hard en levert prima vruchten. Maar zijn stuifmeel is grotendeels onvruchtbaar. Hij kan dus zijn buren niet bevruchten, en hij heeft zelf twee andere, diploïde rassen nodig die op hetzelfde moment bloeien. In de praktijk betekent dat: drie bomen in plaats van twee. In een tuin van vier bij zes meter is dat geen detail, dat is de hele planning.

Het staat er zelden bij. Soms staat het in kleine letters in een rassenlijst, vaker niet. Als je twijfelt, vraag het na bij de kweker en noem de rasnaam letterlijk. Het is de vraag die het verschil maakt tussen een boom die meedoet en een boom die alleen staat te bloeien.

Hoeveel ruimte heb je eigenlijk

Dan de tweede helft van de beslissing, en die wordt bijna altijd vergeten: de onderstam. Die bepaalt hoe groot de boom op termijn wordt, en dus of er naast je bestuiver nog wel een tweede boom past.

M27 en M9 blijven klein. Een M9 die permanent opgebonden staat, houd je met snoei makkelijk op twee tot twee en een halve meter. M26 groeit naar mediumformaat, M106 en zaailingonderstammen worden echte bomen waar je een grote tuin voor nodig hebt.

Wat er vaak misgaat: mensen kopen een dwergboompje en denken dat ze daarmee het probleem hebben opgelost. Maar een kleine onderstam maakt een boom niet zelfbestuivend, hij maakt hem alleen klein. Je hebt nog steeds twee verschillende rassen nodig. Het voordeel is wel dat twee kleine bomen op M9 of M27 in een kleine tuin naast elkaar passen, mits je ze allebei permanent opbindt. Een dwergboom op M9 zonder paal waait bij de eerste najaarsstorm scheef, en een scheve appelboom die nooit meer recht komt groeit de rest van zijn leven in de problemen.

En dan de rekensom die de meeste mensen niet maken: de buren tellen mee. Een bij vliegt zonder moeite vijftien tot dertig meter, dus een bloeiende appelboom in de tuin naast of twee deuren verder is een legitieme bestuiver, mits de bloeitijd klopt. Voor je een tweede boompje koopt, is het de moeite om in mei één keer over de schutting te kijken en op te schrijven wat er bloeit en wanneer. Dat kost je een wandeling en het kan je een boom besparen.

Peer is geen appel

Peren werken met precies dezelfde bloeigroepenlogica, met één verschil dat in Nederland veel schade doet: peren bloeien gemiddeld iets eerder dan appels, en hun bloesem zit daardoor vaker in de kou. In een koud voorjaar met nachtvorst in april verlies je bij peer sneller de vruchtzetting dan bij appel.

Dat pleit tegen de laagste, koudste hoek van de tuin, waar de vorst blijft hangen. Zet een peer liever wat hoger of meer beschut, ook al is dat stukje grond lastiger.

En wat mensen soms nog vragen: een appel bestuift geen peer. Het zijn verschillende soorten, ze staan niet op elkaars lijstje. Conference is deels zelfbestuivend, dus die zet wel wat vrucht zonder gezelschap, maar de opbrengst valt merkbaar terug. Ik heb dat zelf meegemaakt met een alleenstaande peer: ieder jaar een stuk of tien vruchten, nooit meer.

Als er in de buurt niets bloeit

Soms is er geen ruimte, geen buurboom, geen zin in een tweede exemplaar. Dan is er een tussenoplossing die ik zelf een paar seizoenen heb gebruikt: takken met bloesem van een andere boom in een emmer water in de kruin hangen, op de hoogte waar de bijen werken. Met toestemming van de eigenaar, dat spreekt.

Het werkt, met de nadruk op tussenoplossing. Je bent afhankelijk van het weer, van of de bijen die dag vliegen, en van of je op tijd was. Het is een pleister, geen vervanging voor een tweede boom.

En dan het dunnen in juni

Eén ding hangt direct samen met de vruchtzetting: wat er daarna met die appeltjes gebeurt. Als de vruchten in juni het formaat van een knikker hebben, knijp ik er één of twee per trosje weg, zodat er per trosje één, hooguit twee overblijven.

Dat klinkt als weggooien en dat is het ook. Maar het is het verschil tussen veel kleine appels en een redelijke oogst van behoorlijke appels, en het dempt het bekende ritme van een jaar vol en een jaar bijna niets. Bij een boom die toch al weinig zet, heeft dunnen weinig zin; bij een boom die na een goede bestuiving vol hangt, des te meer.

Wat ik zou navragen voor ik afreken

Vier vragen, en ze kosten je twee minuten bij de kweker. Welke bloeigroep? Is dit ras triploïd? Op welke onderstam staat hij? En: welke twee rassen in uw assortiment bloeien tegelijk met deze?

Dat laatste is de belangrijkste, want daar zit de fout die jaren blijft doorwerken. Niet de grond, niet de mest, niet de standplaats. De meeste alleenstaande appelbomen in Nederlandse tuinen geven geen appels omdat er simpelweg nooit een tweede ras naast stond dat op hetzelfde moment open was.

Over de auteur

De Ochtendplukkers zijn mensen die op kleine schaal groenten, fruit en kruiden telen in Nederlandse tuinen, op balkons en volkstuinen. Ze kennen de ochtenddauw, de zware klei en de eerste aardbeien van het seizoen.