Munt krijgt meeldauw door stilstaande lucht rond het blad en een potkluit die steeds uitdroogt en weer doorweekt raakt; basilicum krijgt valse meeldauw in koel, vochtig en te dicht op elkaar staand gewas. De eerste nuttige stap is niet een middel zoeken, maar het patroon op het blad benoemen: een wit poederlaagje aan de bovenkant, een vergeling tussen de nerven met grijs pluis aan de onderkant, oranjebruine bultjes, of bruin dat van onderaf omhoog kruipt. Elk patroon wijst een andere kant op — schimmel, kou, natte wortels — en pas als je weet welke kant het is, weet je of ingrijpen nog iets oplevert.
Ik zit op mijn hurken naast de muntpot op het balkon, de tegels nog nat van de nacht, en ik draai een blad om. Kijk mee. De bovenkant is dof geworden, grijsgroen in plaats van groen, met hier en daar een veeg die je er met je duim vanaf veegt alsof het bloem is. De onderkant is schoon. Dat is het eerste dat ik je wil laten zien: bij munt zit het aan de bovenkant, en het laat zich wegvegen.
Twee potten verder staat de basilicum. Die is niet poederig. Wat je daar ziet is geel tussen de nerven, waarbij de nerven zelf groen blijven — een groen skeletje in een geel blad. Draai dat blad om en je ziet, als het weer zo'n vochtige ochtend is, een vage grijze waas aan de onderkant. Geen poeder, geen bultjes, maar pluis dat je nauwelijks ziet als je niet weet waar je kijkt.
Twee potten, twee schimmels, en ze lijken in niets op elkaar zolang je alleen naar de bovenkant van het blad kijkt. Dat is precies de fout die ik jarenlang maakte: ik zag wit of ik zag geel en ik dacht aan één ding, namelijk "ziekte", en daarmee was mijn onderzoek klaar. Tegenwoordig is het omgekeerde mijn gewoonte. Eerst het patroon, dan de oorzaak, en dan pas de handeling. Meestal is de handeling dan helemaal geen behandeling meer, maar iets aan de pot, de standplaats of het water.
Een laagje, een verkleuring, een bultje of verwelking
Er zijn vier dingen die je op een kruidenblad kunt tegenkomen, en ze door elkaar halen kost je planten.
Een laagje ligt op het blad. Het is wit of grijs, het veegt weg, en het zit bij munt en oregano bovenop. Dat is meeldauw, en die heeft een hekel aan beweging en een hekel aan gelijkmatigheid. Ik heb het nooit op een munt gezien die vrij stond met wind eromheen. Ik zie het wel achter glas, tegen een muur, in een hoek waar de lucht stilstaat, en in potten waar de kluit eerst een week kurkdroog staat en dan drie dagen in het water staat. Die slinger is belangrijker dan de schimmel zelf. Als je alleen het witte wegveegt en de pot laat zoals hij is, ben je over tien dagen terug.
Een verkleuring zit ín het blad. Geel tussen groene nerven, bovenaan, met dat grijze pluis eronder. Dat is valse meeldauw, en die houdt van koel en vochtig en van bladeren die elkaar raken. Ik zie het bij basilicum dat in mei te vroeg naar buiten ging, of dat in een bak staat waar de blaadjes 's avonds nat blijven omdat ik te laat water gaf. Het verschil met een laagje is dat je hier niets kunt wegvegen aan de bovenkant; het blad zelf is veranderd.
Een bultje zit aan de onderkant en voelt ruw. Bij munt zijn het kleine oranjebruine hoopjes, als korstjes die stof afgeven als je erover wrijft. Dat is roest. Roest is een ander verhaal dan meeldauw, want die overleeft in de grond en in het blad dat onderin de pot ligt te verteren. Wegknippen helpt, maar de winst zit in het najaar: pot leeg, oude blad weg, niet op de composthoop, en het volgende seizoen verse grond. Wie dat overslaat, begint in april weer met dezelfde pot en dezelfde schimmel.
En dan verwelking, bruin dat van onderaf omhoog kruipt. Dat is geen bladziekte. Als een rozemarijn of een lavendel van de voet af bruin wordt, terwijl de toppen nog even groen blijven, zit het probleem onder de grond en is het nat. Ik heb dit twee winters achter elkaar gehad met een lavendel die ik te groot in een te kleine pot had gezet, en ik heb het toen proberen op te lossen met voeding en met een zonniger plek. Dat werkt niet. Weefsel dat bruin is, wordt niet meer groen. Je kunt de plant hooguit nog stekken van wat er over is, en de pot voortaan met de voet van de grond en met een ruimer gat.
Geel onderin is vaak geen schimmel
In maart en april krijg ik bijna elk jaar dezelfde vraag van mezelf: waarom laat mijn basilicum de onderste bladeren vallen? Bijna altijd is het antwoord kou of nat, niet ziekte. Basilicum staat graag warm en heeft een hekel aan een kluit die onderin koud blijft. Na een nacht van acht graden of na een dag regen zie je precies dat beeld: de onderste bladeren worden geel, ze voelen zacht aan, en ze laten los. De rest van de plant staat er verder gezond bij, en er zit geen pluis en geen poeder.
De proef die ik doe kost niets. Ik steek mijn vinger in de pot. Koud en nat betekent wachten met water en de pot hoger of beschutter zetten. Alleen al dat verschil — de plant laten uitdrogen in plaats van er iets op te spuiten — heeft me meer basilicum gekost en gered dan welke andere ingreep ook.
Luizen zijn geen schimmel
Op dille en kervel en op de jonge scheuten van munt zie ik in juni vaak kluitjes kleine groene of zwarte beestjes op de toppen. Dat is geen ziekte, en dat verschil is makkelijk te maken als je het een keer goed hebt gezien: vreterij en vervorming met beestjes erbij zijn luizen, terwijl vlekken, lagen en verwelking in natte grond schimmel zijn. Bij luizen spoel ik de toppen met een harde straal water schoon en knijp ik de aangetaste top eruit voordat het blad krult. Zo lang het blad nog vlak is, kun je het bijhouden. Zodra de scheuten vervormd zijn, is het kwaad al gedaan en kun je alleen nog terugsnoeien.
Wat ik doe als ik het patroon heb benoemd
Bij munt op meeldauw: de aangetaste bladeren eruit, de pot vrij zetten zodat er lucht langs beide kanten kan, en water op de kluit in plaats van over het blad. Ik laat de bovenste centimeter tussen twee gietbeurten opdrogen. Dat is geen kuur, dat is de omstandigheid weghalen waar de schimmel van leeft — en dat is ook meteen het enige dat ik ervan verwacht.
Bij basilicum op valse meeldauw: planten uit elkaar, water in de ochtend in plaats van in de avond, en geen blad dat de hele nacht nat blijft. Als het al in de bak zit en het grijs staat onderop, heb ik weinig te bieden. Dan haal ik de plant weg en begin ik opnieuw, met meer ruimte en met een betere timing voor wat naar buiten gaat. Dat voelt als opgeven, maar het is het enige eerlijke antwoord dat ik heb. Er is geen truc die een aangetast blad terugdraait.
Wat ik daarvan heb geleerd, is dat de volgorde belangrijker is dan de maatregel. Ik kijk eerst naar de bovenkant, dan naar de onderkant, dan naar de pot, en pas daarna bedenk ik iets. Als ik het niet zeker weet, wacht ik een week en kijk ik wat het patroon doet: een laagje dat zich uitbreidt, een vergeling die stopt bij de nerven, een bultje dat stof afgeeft, of blad dat geel wordt en valt zonder verder iets. Die week wachten is het lastigste onderdeel van de hele bezigheid, en het heeft me de meeste planten bespaard.
