Wie in Nederland buiten een druif wil laten rijpen, kiest op twee kenmerken en laat de rest daaruit volgen: de rijpheidsdatum en de meeldauwresistentie. Een ras moet zijn trossen rijp krijgen binnen ongeveer 150 tot 180 dagen na het uitlopen van de knoppen, en het moet een natte, wisselvallige zomer met valse en echte meeldauw kunnen doorstaan. Vroege rassen als Boskoop Glory, Solaris, Rondo en Pinot Noir vallen binnen die marge; laatrijpe soorten die in Zuid-Europa moeiteloos werken, halen het hier meestal niet. Wie alleen afgaat op rasbeschrijvingen uit warmere streken, staat in oktober met groene, keiharde trossen onder een dak van nat blad.

Ik leerde dat op een ochtend in de laatste week van september, onder een pergola tegen een zuidmuur. Het had drie dagen geregend. In de emmer die ik bij me had, lagen drie donkerblauwe trossen die zacht aanvoelden; aan de stok hing nog een stuk of tien trossen die groen waren en zo hard als een knikker. Toen ik een blad omdraaide, zag ik het witte, vilte laagje aan de onderkant: valse meeldauw, in twee weken door het hele bladerdek gerold. Ik heb de groene trossen eruit geknipt en op de composthoop gegooid. Niet omdat ze ziek waren, maar omdat ze het niet meer gingen halen en de plant er tot in november suiker en energie naartoe zou blijven sturen.
Sindsdien kijk ik bij een druivenras niet naar wat het hoort te smaken, maar naar twee dingen die ik kan narekenen: hoe lang het van knop tot rijpe tros nodig heeft, en hoe het door een natte zomer komt.
Van knop tot tros: die 150 tot 180 dagen
De teeltduur op een label wordt bijna altijd gerekend vanaf het uitlopen van de knoppen, niet vanaf 1 januari. In Nederland loopt een wijnstok gemiddeld uit tussen half april en begin mei; in een koud voorjaar schuift dat op naar half mei. Reken eens door. Een ras dat 160 dagen nodig heeft en op 20 april uitloopt, is rond 27 september rijp. Dat is ongeveer de laatste week waarin je hier nog betrouwbaar rijpe druiven hebt: daarna zakt de temperatuur 's nachts, stopt de suikeropbouw en kruipt botrytis in de trossen. Een ras met 190 dagen komt op 27 oktober uit, en dan is het hier herfst met regen.
Er zit een addertje onder. "Vroeg" in een rasbeschrijving betekent niet automatisch "vroeg in mijn tuin". Een ras dat vroeg uitloopt, verliest bij late vorst in mei zijn scheuten en begint opnieuw; dan schuift de hele rijping op. Vroeg uitlopen en vroeg rijpen zijn dus niet hetzelfde, en in een vorstgevoelige hoek wil je liever een ras dat iets later uitloopt maar snel afrijpt.
Behalve dagen telt ook warmte. De warmtesom, het aantal graaddagen boven 10 °C over het seizoen, ligt in Nederland grofweg tussen 900 en 1200, afhankelijk van regio en jaar. De wijnstreken waar de meeste rasbeschrijvingen vandaan komen zitten op het dubbele of meer. Dat verschil haal je niet in met een goede plek; dat verschil haal je in met raskeuze.
Twee meeldauwen, twee verschillende problemen
Valse meeldauw (Plasmopara viticola) heeft nat blad nodig. Bij een graad of 20 tot 25 en een blad dat een uur of tien nat blijft, is een infectie rond. Je ziet het eerst als gele, olieachtige vlekken aan de bovenkant; draai het blad om en er zit wit dons. In de tros wordt het een grijsbruine rot. Dit is de schimmel die in een Nederlandse julimaand het hardst toeslaat.
Echte meeldauw (Erysiphe necator) heeft geen nat blad nodig, alleen vochtige, warme lucht. Die verschijnt als wit poeder op scheuten en bessen, en bessen kunnen er van openbarsten. In een warme, droge augustus met weinig wind kan die juist het ergst zijn, op beschutte plekken waar de lucht blijft hangen.
Daarom weegt resistentie voor mij zwaarder dan welke andere eigenschap ook. Rassen met een goede meeldauwresistentie worden wel PiWi genoemd, naar het Duitse begrip voor schimmelresistente rassen: Solaris, Rondo, Regent, Bianca en Muscat Bleu vallen in die groep.
Maar resistentie is geen immuniteit. In een jaar met een natte juli en augustus zie ik op die rassen nog steeds plekken, alleen later en minder. Wat dan helpt is niet één maatregel maar de combinatie: blad uitdunnen rond de trossen zodat ze niet in het donker hangen, overtollige scheuten toppen, geen druif tegen een dichte haag zetten, en in het najaar het gevallen blad onder de plant opruimen zodat de schimmel daar niet overwintert. Bij een resistent ras maken die dingen het verschil tussen een schone stok en een zieke; bij een gevoelig ras maken ze het verschil tussen oogst en geen oogst.
Pitloos vraagt meer warmte
Pitloze rassen bestaan, en ze zijn verleidelijk, maar ze vragen meer warmte dan rassen met pitten: zowel om de bessen te laten zwellen als om ze rijp te krijgen. In een koel jaar blijven ze klein en halen ze hun suikers niet. Als oogstzekerheid het doel is, is een vroeg ras met pitten in de volle grond de veiligere keuze. Pitloos werkt in Nederland eerder in een kas of in een grote pot tegen een warme muur, waar je een graad of wat extra hebt.
De plek doet de helft van het werk
Een ras dat in 160 dagen rijp is, is dat alleen op een plek met genoeg warmte. In Nederland betekent dat een muur op het zuiden of zuidwesten, liefst van steen die 's nachts warmte teruggeeft, met zon van een uur of tien in de ochtend tot een uur of zes in de avond. Een noordmuur, de schaduwkant van een schuur of een hoek waar een haag de ochtendzon tegenhoudt: daar redt geen enkel ras het.
De bodem telt mee. Goed doorlatend, en op kalkrijke grond een geënt ras op een onderstam als SO4, die daar beter tegen kan dan een stek die op eigen wortel staat. En let op concurrentie. Een druif naast een heg of onder een boom wortelt in grond die te droog en te arm is, blijft achter, en rijpt daardoor later.
Zelfbestuivend, of toch een partner erbij
De meeste druivenrassen zijn zelfbestuivend: ze zetten vrucht met hun eigen stuifmeel en de wind is genoeg. Er zijn oudere rassen met alleen vrouwelijke bloemen; die hebben een tweede ras nodig dat op hetzelfde moment bloeit. Op het label staat dat er lang niet altijd bij. Mijn vuistregel: weet ik het niet zeker, dan zet ik twee rassen naast elkaar die ongeveer gelijk bloeien. Dat kost één plant extra en haalt het risico weg.
Waar je lijsten met aanbevolen rassen vindt
Tuinverenigingen, volkstuincomplexen en af en toe een proeftuin of onderzoeksinstelling publiceren lijsten met rassen die onder Nederlandse omstandigheden zijn getest. In het Westland en in Limburg staan van oudsher rassen die hier al generaties buiten rijpen. Het betrouwbaarste dat ik ken is nog steeds de volkstuin drie straten verderop: kijk wat daar in september donker aan de stok hangt en vraag welk ras het is.
Rassen die in deze categorie terugkomen
Boskoop Glory is de Nederlandse tuinstandaard: loopt vroeg uit, is doorgaans in september rijp. Bij mij op het zuiden was hij steevast de eerste die kleurde, maar in een natte augustus zie ik op het blad ook valse meeldauw. Reken niet op immuniteit.
Solaris en Rondo worden hier vaak genoemd als vroeg én resistent, en dat is precies de combinatie waar het om gaat. Regent is resistent maar rijpt later; die doet het alleen op de warmste plek die je hebt. Pinot Noir is vroeg genoeg, maar heeft een dunne schil en is gevoelig voor meeldauw en botrytis; zonder beschutte, warme muur wordt het hier een gok. Bianca en Muscat Bleu horen in hetzelfde rijtje: vroeg tot middenvroeg, met een redelijke resistentie.
Wat ik op een label controleer
- De rijpheidsduur in dagen vanaf het uitlopen, of de aanduiding vroeg, midden of laat. Trek er in gedachten een week of twee bij op: de meeste labels komen uit streken met meer warmte dan wij hebben.
- De meeldauwresistentie: staat er PiWi, of een score voor valse en echte meeldauw apart?
- Pitloos of met pitten.
- Zelfbestuivend of niet.
- De uitlooptijd, in verband met vorst in mei.
- Of het ras geënt is, en op welke onderstam.
- Of het ras voor de kas bedoeld is. De klassieke blauwe kasdruif rijpt buiten niet, hoe warm de muur ook is.
Ik heb de late stok onder de pergola gerooid en er een vroeger ras voor in de plaats gezet. De emmer is in september vol, de composthoop blijft leeg, en de vraag welk ras het lekkerst is heb ik laten varen. Wat overblijft is de enige vraag die in dit klimaat telt: is hij op tijd rijp, en komt hij de zomer door.


