Grauwe schimmel, slakken en vogels in je aardbeienbed

De schade vertelt je de dader, en de behandeling zit in het ritme van dat dier of die schimmel, niet in een middel. Een zachte bruine vlek die in een paar dagen verandert in een grijs pluisdeken is grauwe schimmel, en die houdt van koel, nat weer en van vruchten die de grond of elkaar raken. Een aardbei die tussen zonsopkomst en een uur of zeven is leeggegeten hoort bij vogels; een vrucht die 's nachts van onderen is uitgehold hoort bij slakken. Een plant in een pot die verslapt terwijl het blad er nog gaaf uitziet, wijst op larven tussen de wortels. Lees dus eerst waar, hoe hoog, hoe laat en hoe nat de schade is, en bepaal daarna de maatregel. Bijna al die maatregelen zijn cultuurmaatregelen: water op het juiste moment, vruchten van de grond, lucht tussen het gewas, en op tijd opruimen.

Ik zit op mijn hurken naast het bed. Het is half tien 's avonds, het heeft die middag geregend en de grond is nog donker van het vocht. Ik heb een zaklamp en een emmertje bij me. Het licht strijkt langs het stro, langs de rand van de bak, langs de oude bladeren die op de grond liggen. Eerst zie ik niets. Dan beweegt er iets bij de rand: een naaktslak, donkergrijs, half zo lang als mijn pink, op weg naar de laagste tros met rijpe vruchten. Hij is niet in de plant geklommen. Hij komt van onderen, uit het vochtige stro, en hij heeft de hele dag op deze tien minuten gewacht.

Als ik nu niet kijk, vind ik morgenochtend een aardbei met een gat aan de onderkant, de kern eruit gevreten, en vaak een dun slijmspoor over de grond. Dat is het handschrift van de slak. Het handschrift van de vogel is anders: die pikt van boven, neemt de rijpste vrucht eerst, en laat nog weleens het kelkblaadje of een stuk van de vrucht op de grond vallen. Als je dat verschil eenmaal ziet, weet je ook waar je moet zijn — bij de grond of in de lucht.

Slakken: het werk van de nacht

Slakken komen 's nachts en het liefst na regen. Ze blijven laag. De vruchten die op de grond hangen of op een blad liggen zijn het eerst aan de beurt; de trossen die ik omhoog heb gelegd blijven meestal buiten schot. In de schemer zie je ze beter dan overdag, en met een zaklamp nog beter.

Wat helpt is saai werk. Een ronde na elke regenbui, ze oppakken en wegbrengen, en vooral: de natte schuilplaatsen weghalen. Planken, een stapel potten, onkruid langs de rand, bladeren die blijven liggen — daar zitten ze overdag. Rond mijn bed houd ik een droge, open strook van ongeveer 25 centimeter. Slakken steken liever geen open, uitdrogende grond over, en ze leggen hun eitjes in vochtige grond en onder stenen. Een open, droge bovenlaag werkt dus twee keer.

Water geven doe ik 's ochtends en niet 's avonds, zodat het oppervlak tegen de nacht is opgedroogd. Stro onder de vruchten werkt tegen schimmel, maar nat stro is een schuilplaats voor slakken; ik gebruik het dun en vervang het zodra het gaat ruiken. Wie daar geen zin in heeft, kan een matje onder de trossen leggen. Dat droogt sneller, maar je moet het wel schoon houden.

Vogels: het eerste uur na zonsopkomst

Dan de ochtend. Tussen het eerste licht en een uur of zeven is het bed van de merels. Ze nemen de rijpste vrucht eerst — precies die ene waar jij gisteren naar keek.

Het net gaat er niet óp, maar erboven. Een paar stevige stokken of een boog van buis, gaas eroverheen en de randen goed vastzetten aan de grond of aan de bak. Ligt het net op de vruchten, dan pikt de merel er dwars doorheen, en je zit de groei in de weg met blaadjes en uitlopers die erin vastgroeien. Zet het net voordat de eerste vruchten kleuren; een vogel die eenmaal weet waar het zoet is, komt terug.

Twee dingen om te weten. Fijn gaas houdt vogels tegen, maar ook bijen en hommels, en die wil je tijdens de bloei juist in het bed hebben. Zet het net dus pas op als de laatste bloemen uitgebloeid zijn, of kies een grover maaswerk dat hommels doorlaat — dat houdt een merel alleen minder goed tegen, dus helemaal gratis is die keuze niet. En loop elke dag een keer langs het net; een vogel die erin verstrikt raakt, heb je zelf veroorzaakt.

Grauwe schimmel: vaak de tweede bezoeker

Grauwe schimmel begint als een zachte, lichtbruine plek die donkerder wordt en zich uitbreidt, en eindigt als een poederig grijs pluislaagje dat stuift als je ertegenaan komt. Hij houdt van koel en nat weer en gaat het snelst op vruchten die de grond raken of tegen elkaar aan liggen.

Bijna altijd is die vrucht al beschadigd voordat de schimmel eraan begon. Een slakkenhap, een vogelpik, een vrucht die na een hoosbui openbarst: dat is de ingang. Voorkom de eerste beschadiging en je haalt de grootste bron van grauwe schimmel weg. Verder: de trossen van de grond houden, ruimte tussen de planten zodat het blad 's ochtends droogwaait, water bij de voet in plaats van over het gewas, en oogsten als het gewas droog is.

Aangetaste vruchten haal ik weg met een stukje steel erbij, in een zakje, en dat gaat niet op de composthoop maar in de bak. En ik raak met natte handen of een natte doek niet eerst een zieke en dan een gezonde vrucht. De sporen zitten aan alles wat je aanraakt.

Een detail dat in Nederland meer scheelt dan welk middeltje ook: een bed dat klem ligt tussen een heg en een schutting, droogt 's ochtends uren later op dan een bed in de open tuin. Loop op een natte ochtend maar eens langs beide.

Bladluizen, en de mieren die ze verraden

Op het jonge blad bovenaan de plant en op de bloemstengels zitten ze in dichte groepen. Het blad krult, de scheuten blijven achter, en de vruchten die uit zo'n aangetaste tros komen blijven klein en scheef.

De beste aanwijzing zijn de mieren. Zie je mieren in een rechte lijn omhoog lopen, volg ze dan — ze komen uit bij een kolonie bladluizen. Daar zit ook de reden dat luizen zo hardnekkig zijn: de mieren beschermen ze.

Spuiten is niet mijn eerste antwoord. Ik maak het gewas minder aantrekkelijk: niet te veel stikstof, want daarvan wordt het blad zacht en groen en daar komen luizen op af. Na de oogst knip ik de jonge scheuten en de uitgebloeide stengels weg. En ik laat in de buurt wat bloeiends staan voor zweefvliegen en lieveheersbeestjes; die doen het werk waar ik te laat voor ben. Bij een enkele kolonie veeg ik ze met de hand weg of spuit ik met water.

De dader die je in de pot niet ziet

Dit is de lastigste van het stel, want het blad vertelt je niets. Dat een aardbeiplant op een warme middag verslapt, is normaal. Dat een plant verslapt terwijl de grond vochtig is en na water geven niet opknapt, is verdacht.

Haal hem uit de pot en je ziet het meteen: de kluit valt uit elkaar, de wortels zijn weggevreten, en tussen wat er over is zitten roomwitte, C-vormige larven met een bruin kopje. Dat zijn de larven van de taxuskever. Het blad is nooit het probleem geweest. De volwassen kever zie je zelden; wat je wel kunt zien zijn de hapjes langs de randen van het blad, kleine halvemaanvormige inkepingen.

Wat je doet: bij het verpotten in het voorjaar de kluit uit elkaar halen en kijken. Geen grond uit een aangetaste pot hergebruiken voor een nieuwe aardbeiplant. Potten niet in een hoek met vochtig onkruid laten staan. En bij een plant die instort niet blijven water geven — dat maakt het erger. De kever kruipt in plaats van te vliegen; een pot die op tegels staat in plaats van in het gras heeft minder kans om bezocht te worden, al is dat geen garantie.

Wat je in het najaar opruimt, scheelt je in juni

Aan het eind van het seizoen liggen de oude bladeren, de afgeknipte stengels en de gevallen vruchten onder de planten. Daar overwintert bijna alles: de sporen van de schimmel op het dode blad, de eitjes van de slak in de vochtige grond eronder, de larven in de pot, de luizen als eitjes op de jonge scheuten.

Ik knip na de oogst het oude blad weg en laat het hart van de plant staan. Alle gevallen vruchten gaan weg, net als het afgeknipte blad. Niet op de open hoop, want dan verplaats je het probleem naar de rest van de tuin.

En een bed dat vier jaar blijft staan, geeft kleine vruchten en meer schimmel. Ik houd planten twee, hooguit drie seizoenen aan en neem daarna jonge uitlopers van de sterkste planten.

Soms is er geen dader

Niet elke rare aardbei komt door een beest. Een vrucht die helemaal gevormd is maar op het puntje droog blijft en daar geen echte zaden heeft, is meestal slecht bestoven — koud, nat weer tijdens de bloei of te weinig insecten. Daar helpt geen net en geen ronde. Wat daar wel tegen helpt is een vroeg ras dat minder in de kou bloeit, of een plek uit de wind.

En er is een grens. In een koele, natte juli houd je niet alles tegen, hoe netjes je ook werkt. Wat je wel kunt doen is de schade zo klein houden dat je blijft oogsten. Het net ophangen voordat de vruchten kleuren, het stro, de droge strook, de ronde met de zaklamp, het opruimen in het najaar: samen kost dat in het seizoen misschien een uur of twee per week. Dat is het hele pakket.

Vanavond loop ik weer met de zaklamp langs de rand. Als er niets beweegt, is dat niet omdat er niets is. Het is omdat het droog is en er niets te halen valt.

Over de auteur

De Ochtendplukkers zijn mensen die op kleine schaal groenten, fruit en kruiden telen in Nederlandse tuinen, op balkons en volkstuinen. Ze kennen de ochtenddauw, de zware klei en de eerste aardbeien van het seizoen.