Welke uitlopers van je aardbei houd je en welke niet?

Houd per uitloper alleen het eerste plantje en hooguit het tweede, en knip de rest van de rank weg. Die eerste twee zitten het dichtst bij de moederplant, hebben de dikste kroon en de meeste wortelaanleg, en geven volgend jaar de sterkste plant. Wat verder langs de rank groeit is dunner, bleker en later — dat gaat weg, ook als het er nog best levendig uitziet.

Ik zit eind juli op mijn knieën langs het aardbeienbed en de oogst is net voorbij. Het blad is nog groen, hier en daar al met een roestrandje, en juist nu schieten de ranken alle kanten op: over het grind, tussen de sla door, onder de frambozenstruik. Ik pak er een vast en leg hem over mijn handpalm. Dan kan ik hem lezen.

De eerste knoop, twintig centimeter van de moederplant, voelt stevig. Een klein rozet met een compact kroontje, en als ik het blad voorzichtig wegduw zie ik witte knobbeltjes waar de wortels willen komen. De tweede knoop is iets kleiner maar nog steeds mollig. De derde is een spriet. Twee bleke blaadjes, een kroontje zo dik als een lucifer, geen wortelknobbel te bekennen. Die derde en alles daarna zijn de moeite van het oppinnen niet waard, en dat is geen theorie: ik heb ze ooit wél opgepot, en het jaar erna stond er een rij van die melige, magere plantjes die pas in juni een handvol kleine vruchten gaf.

Wat de rank je vertelt

Een aardbeiplant maakt geen willekeurige rij nakomelingen. Langs die ene steel zit een verloop, en dat verloop kun je met je vingers volgen. Hoe verder van de moederplant, hoe minder de plant in dat puntje heeft geïnvesteerd. De eerste twee knopen krijgen het leeuwendeel, de rest krijgt de restjes. Dus: eerste houden, tweede mag, derde weg. Knip de rank na de tweede knoop door, dan houdt de plant op met doorduwen en stopt ze haar energie in de twee die je hebt laten zitten.

Ik let daarbij niet alleen op de plek maar ook op de dikte van de kroon. Een plantje met een kroon die aanvoelt als een stevig potloodpunt heeft reserves. Een kroon die je tussen duim en wijsvinger platknijpt, heeft die niet. Dat is het enige criterium dat ik echt vertrouw, want blad zegt weinig — een bleek plantje in de schaduw kan er zielig uitzien en toch een goede kroon hebben.

Tijdens de pluk gaan ze eraf

Tussen mei en begin juli haal ik elke rank die ik zie weg. Niet omdat ik ze niet nodig heb, maar omdat de plant er energie in steekt die ik in de bessen wil. In het jaar dat ik dat naliet, hingen er op dezelfde planten duidelijk kleinere vruchten dan het jaar ervoor, en de ranken hadden intussen een halve vierkante meter bed overwoekerd. Zodra je de eerste ranken ziet tijdens de oogst: wegknippen, bij de voet. Vanaf half juli draai ik het om en laat ik er een paar staan.

Vanaf eind juli: laten wortelen

Na de oogst is het moment. De plant is klaar met vruchten maken en heeft ruimte over. Ik kies de moederplanten uit waar ik het afgelopen seizoen tevreden over was — twee of drie planten is genoeg voor een heel bed, want één plant kan makkelijk vier goede uitlopers leveren. Planten in hun eerste en tweede jaar geven de beste ranken. Van een plant die al vier jaar meegaat neem ik niets meer; die is zelf aan het afbouwen en dat zie je terug in de nakomelingen.

Ik maak de grond onder de eerste knoop los met mijn vingers, druk het rozet erin en zorg dat de kroon precies op grondniveau zit — niet eronder, want een begraven kroon rot weg in een natte winter. Even aandrukken, water geven, klaar. Geen potje, geen omweg: wortelen in de volle grond waar hij toch moet blijven, of in een eigen kweekstrookje naast het bed.

Laat ze voor eind augustus vastzitten. Wat later wortelt, heeft te weinig weken om voor de vorst een fatsoenlijke kluit te maken, en dat merk je pas in maart als je de rij openschuift en de helft los in je hand hebt.

Wanneer je de navelstreng doorknipt

Na een week of drie, vier trek ik zachtjes aan het rozet. Geef ik mee, dan zit er een kluit onder. Geef ik geen mee, dan wacht ik nog een week. Losmaken doe ik pas als het plantje zijn eigen wortelkluit heeft én minstens drie, vier volwaardige blaadjes. Knip de rank dan door, niet bij de moederplant maar vlak bij het jonge plantje, zodat er een kort stompje blijft dat vanzelf verdroogt.

Dat losmaken is tegelijk het moment om te verhuizen. Wil je het plantje ergens anders hebben, til het dan in één beweging met kluit en al op en zet het meteen op zijn nieuwe plek. Laten liggen tot het voorjaar kan ook, maar dan moet je in februari niet verrast zijn dat de wortels door de bovenlaag van het oude bed heen zitten en je ze losrukt.

Overwinteren: nat is erger dan koud

Hier gaat het bij de meeste mensen mis, en niet door de vorst. Een jonge aardbeiplant overleeft min tien prima. Wat hij niet overleeft, is twee maanden met zijn kroon in het water staan. In een Nederlandse winter met veel regen en weinig vorst is drainage het hele verhaal.

Wat ik doe: plantjes die in een kweekstrookje staan, zet ik op een licht verhoogd randje grond, of ik werk wat compost door de bovenlaag zodat water doorloopt in plaats van blijft staan. Plantjes in een pot zet ik tegen een muur op de noordkant, zonder schotel eronder, en ik zorg dat de pot op een steen staat. Geen stikstof meer na half augustus — dan maak je zacht blad dat de eerste nachtvorst sneuvelt. Oud blad dat tegen de grond hangt haal ik in november weg, want dat is precies waar schimmel begint.

En dan, ergens in februari, die ene controle: schuif het blad opzij en kijk naar de kroon. Stevig en groen aan de basis betekent dat je een plant hebt. Bruin en hol betekent dat je te lang water hebt laten staan. Ik heb beide gehad, en het verschil zit bijna nooit in de temperatuur.

Waarom je dit elk jaar een beetje doet

Een aardbeibed loopt niet leeg omdat de planten doodgaan. Het loopt leeg omdat ze na drie, vier vruchtjaren steeds kleiner worden, en omdat je dat pas ziet als de rijen al gaten hebben. Tegen die tijd heb je geen jonge planten meer om de gaten mee te vullen.

Daarom vervang ik elk jaar ongeveer een derde van het bed, nooit alles in één keer — dan heb je een jaar zonder oogst. De oude planten gaan eruit na hun derde pluk, de nieuwe schuiven door. Zo blijft de rij dik en blijven de bessen groot, zonder dat ik ooit een heel bed opnieuw hoef aan te leggen.

Volgend voorjaar staan ze er dan, die nieuwe planten: nog geen bloem, nog geen bes, maar met een kroon waar je aan voelt dat het goed zit. Dat is het enige bewijs dat telt.

Over de auteur

De Ochtendplukkers zijn mensen die op kleine schaal groenten, fruit en kruiden telen in Nederlandse tuinen, op balkons en volkstuinen. Ze kennen de ochtenddauw, de zware klei en de eerste aardbeien van het seizoen.