Uien kweken lukt prima op klei, maar de aanpak die op zand werkt, faalt hier. Op zware klei gaan plantuien meestal voor op zaad, plant of zaai je pas als een kluit in je hand uiteenvalt in plaats van uit te smeren, en laat je de datum door de bodemtemperatuur bepalen en niet door de kalender. Wie de oogst daarna durft uit te stellen tot de nek vanzelf omvalt, haalt in juli en augustus gewoon stevige, houdbare bollen van een kleibed.
Ik hurk in maart naast het bed, steek twee vingers in de grond en knijp een handvol van die grijsbruine klei samen. Valt de kluit in brokjes uiteen, dan kan het. Blijft hij als een glimmende worst in mijn handpalm plakken, dan wacht ik nog een week, ook al staat er in mijn schrift een datum die iets anders roept. Dat is het eerste wat klei je leert: een zaaitabel is een gemiddelde, en jouw grond is geen gemiddelde.
Klei is in Nederland bovendien niet één ding. Zavel, met veel silt en wat zand ertussen, valt bij het minste knijpen uiteen en gedraagt zich bijna als goede tuingrond. Zware klei met veel lutum plakt, glimt als je hem nat maakt en wordt bij droogte zo hard dat de schop er nauwelijks in wil. Tussen die twee zit alles wat je je kunt voorstellen, en voor uien is dat precies het verschil tussen gemakkelijk en opletten.
Zaad, plantuien of herfstplanting
Die keuze bepaal je het beste voordat je iets zaait of koopt, want hij stuurt de rest van het seizoen.
Zaad is de goedkoopste weg en geeft de meeste rassen, vooral als je een bewaarui zoekt die tot diep in de winter goed blijft. Het is ook de kwetsbaarste weg. Ui zaait ondiep, kiemt zodra de grond ongeveer 7 °C is, en de kiemplantjes zijn zo fragiel dat één flinke bui die op klei een korst achterlaat ze gewoon opsluit. De wortels blijven in de bovenste 10 tot 15 centimeter zitten, dus je hebt niets aan een diep losgemaakte ondergrond als de bovenlaag dichtgeslagen is. Zaaien doe je in de praktijk tussen half maart en half april, in rijen van 25 tot 30 centimeter, niet dieper dan ongeveer een centimeter.
Plantuien zijn kleine bolletjes die je in de grond duwt. Ze komen veel sneller op, ze duwen zich door een korst heen waar zaad niet doorheen komt, en ze geven je een voorsprong van weken. Op klei zijn ze daardoor bijna altijd mijn eerste keuze. De prijs is schietneiging: krijgt een plantui na het planten nog een koude periode met nachten onder de 10 °C, dan schiet een deel van de bollen in bloei en houd je een hard, hol stengeltje over in plaats van een bol. Dat is precies de spanning op klei. De grond warmt hier later op dan op zand, dus vroeg planten lokt schieters uit, en laat planten kost je bolmaat. Mijn compromis: wachten tot de grond kruimelt, dan planten, en twee weken later nog een stukje van het bed doen. Zo spreid ik het risico in plaats van erop te gokken.
Herfstplanting, kleine bolletjes in september of oktober de grond in, levert de vroegste uien van allemaal. Maar het vraagt één ding dat klei vaak niet heeft: een stuk grond dat de winter droog doorkomt. Klei houdt water vast, en een plantui die weken in natte klei staat voordat hij goed wortelt, rot weg. Op een hoge, goed ontwaterde zavelhoek kan het werken. In een laag stuk waar in november het water blijft staan, is het weggegooid geld. Bij twijfel kijk je in februari waar de plassen liggen. Daar plant je in het najaar niets.
De daglengte doet het echte werk
Ui is een lange-daggewas. De bol begint pas te vormen als de dag boven de vijftien, zestien uur komt, en dat is hier eind mei, begin juni. Alles wat dan nog niet stevig gegroeid is, heeft te weinig tijd om nog een grote bol te maken; rond augustus stopt het gewas er zelf mee, of je nu water geeft of niet. Daarom is half april geen folkloristische datum maar een grens. Elke week later planten betaal je met bolmaat. Niet met mislukking, maar met kleinere uien die je eerder moet opeten omdat ze dunner drogen en korter bewaren.
Daar komt iets bij dat je in veel zaailijsten niet terugziet: rassen uit zuidelijker streken werken hier niet. Een ui die bij twaalf uur daglicht al gaat bollen, staat hier in juni te vroeg in bloei of maakt nauwelijks bol. Wat je wilt is een lange-dagras, en binnen die groep liefst een bewaartype als je tot in de winter wilt eten. Vraag je bij het uitzoeken van zaad of plantgoed dus niet alleen "welke ui vind ik lekker", maar ook "voor welke daglengte is dit gemaakt".
Een zaadbed dat kruimelt, niet dat smeert
Op klei is de voorbereiding het halve werk. Ik spit in het najaar niet dieper dan nodig, werk er oude compost door en laat de vorst zijn werk doen. Verse mest blijft eruit: die geeft dikke nekken en uien die in de bewaring wegrotten, en dat merk je pas in december als het te laat is. Wil je toch bemesten, doe het dan ruim vooraf en met rijpe compost.
In het voorjaar geldt één harde regel: niet op het bed lopen als het nat is. Je perst de structuur dicht en dat herstel je dat seizoen niet meer. Ik leg een plank neer als ik echt ergens bij moet. Daarna hark ik de bovenste paar centimeter tot kruimels niet groter dan een erwt. Niet omdat het er mooi uitziet, maar omdat een uienkiempje met een kluit van vijf centimeter niets kan beginnen.
De pH wil je rond 6,5 tot 7. Op klei die jarenlang bewerkt is, zit je daar vaak al in de buurt; is de grond zuur, bekalk dan in de winter ervoor en niet vlak voor het planten. En houd de korst in de gaten. Na een flinke bui komt er op klei een harde laag op het bed. Zodra de kiemplantjes boven komen, breek ik die voorzichtig met een harkje of met de hand open. Niet schoffelen, want de wortels zitten in diezelfde bovenste tien centimeter.
Zon, vocht en vier jaar rust
Uien willen zon en open lucht. Een hoek waar 's middags de schaduw van een schuur of heg valt, levert dunne nekken en kleine bollen op, hoe goed je verder ook werkt. Water geven is op klei zelden nodig; het gevaar is eerder dat de grond te lang nat blijft. In een droge juni geef ik wel bij, want tijdens de bolgroei is vocht nodig. Zodra de nek begint te verslappen stop ik met water, want dan wil ik droogte om te kunnen oogsten.
De vier jaarregel is op klei extra belangrijk. Ui, prei, knoflook, sjalot en bieslook delen dezelfde bodemziektes en dezelfde plagen, dus ze komen minstens vier jaar niet op hetzelfde bed terug. Op een kleine volkstuin is dat soms knap lastig, en dan is het eerlijk gezegd kiezen: of je houdt consequent een bed vrij in de rotatie, of je slaat af en toe een jaar over. Wat ik niet doe is het ".".toch maar even doen" en er dan achter komen dat de uien er in juli al niet meer uitzien.
Als de nek omvalt
Je oogst niet op de kalender, maar op het gewas. Het sein is drieledig: de nek net boven de bol wordt slap, het loof valt uit zichzelf om, en het buitenste vel droogt. Dat valt in Nederland meestal tussen juli en september. Laat ze op het bed liggen zolang het droog is, keer ze één keer en haal ze naar binnen voordat er regen komt. Nat geworden uien drogen slechter en bewaren slechter, en dat verschil zie je pas maanden later.
Drogen doe je droog, luchtig en vorstvrij. Niet in de brandende zon bakken, want dan wordt de bol zacht, en niet in een vochtige schuur waar de lucht blijft hangen. Als de nek helemaal droog is, knip ik het loof twee tot drie centimeter boven de bol af. Klei die aan de bol kleeft laat ik eraf drogen en borstel ik er daarna af; wassen is een slecht idee, want vocht in de nek is precies wat je niet wilt.
Wat ik onderweg heb geleerd
Klei geeft je geen tweede kans in het voorjaar. Lig je er te vroeg op, dan loop je de hele zomer achter. Daar staat tegenover dat klei in een droge zomer genadig is: terwijl op zand de uien staan te hijgen, groeien ze hier rustig door.
En niet elk jaar is hetzelfde, ook niet op hetzelfde perceel. Het ene bed warmt sneller op dan het andere, al liggen ze drie meter uit elkaar. Daarom meet ik niets en kijk ik veel: een hand grond, de korst na de regen, de stand van het loof. De tabellen gebruik ik als richting, niet als wet.
Wat ik het eerste jaar fout deed, was te vroeg planten omdat het weer zo mooi was. De helft schoot. Het jaar daarna was ik te voorzichtig en plantte ik te laat, en toen stond ik in september kleine uien te oogsten die ik binnen een maand op moest eten. Het zit er tussenin, en dat midden vind je alleen door een paar seizoenen op dezelfde grond te kijken.
Klei is geen handicap voor uien. Het is een grondsoort met een eigen tempo, en wie dat tempo volgt in plaats van het gemiddelde uit een boekje, haalt hier gewoon een kruiwagen vol bollen binnen.

