Eén verkeerde snoeiwond kan je druif jarenlang kosten

De snoeiwond die je een druif jarenlang kan kosten is bijna nooit de kleine knip op een eenjarige rank; het is de dikke zaagsnede in oud hout, gemaakt op een koele, vochtige dag vlak voor de stok uitloopt. Een wijnstok geneest niet zoals huid: hij sluit de wond van de buitenrand naar het midden toe af met wondhout, en op dik hout gaat dat zo langzaam dat eutypa en esca intussen via het verse snijvlak naar binnen kunnen. Daaruit volgt de regel: houd elke snede klein, snoei in de rustperiode op een droge dag waarop het vlak dezelfde middag nog dichtdroogt, en zaag niet door oud hout als er regen op komst is.

Ik sta die zaterdag in februari met koude vingers aan de onderste spaandraad van mijn volkstuin. De stok is twee jaar oud, de ranken zijn zo dik als een potlood, en de takkenschaar gaat er met een korte knak door. Wat overblijft is een schijfje van nog geen centimeter, bleekgroen aan de rand, met een vochtig stipje in het hart. Tegen de middag is dat stipje weggetrokken en voelt het vlak hard aan, als leer.

Drie rijen verder staat een oude stok waar ooit iemand met de zaag in is gegaan. De wond is bijna vijf centimeter breed, de rand is kurkachtig dichtgegroeid, en in het midden zit een donkere kuil die er na al die jaren nog steeds zit. Daar zit het hele verschil. Niet in de knip van februari, maar in die ene snede die te groot was op het verkeerde moment.

Wat er onder dat schijfje gebeurt

Knip ik in november een rank door, dan gebeurt er niets. Het hout is droog, de wortels zijn koud, de stok slaapt. Knip ik in maart, dan hangt er binnen een dag een druppel aan. In april loopt het gewoon.

Dat vocht komt niet uit de wond, het wordt van onderaf naar boven geperst. De grond warmt op, de wortels nemen water op, en zolang er nog geen blad is dat het laat verdampen, bouwt zich in de stam een overdruk op. Die druk zoekt de weg van de minste weerstand, en dat is elke verse snede. Het is dezelfde kracht die in het voorjaar het sap uit een verse berkenstronk duwt.

Mensen zien dat bloeden en denken dat de plant leegloopt. Dat is het niet. Ik heb nooit een stok zien sterven aan het bloeden zelf, en zodra het blad er is valt de druk weg en houdt het op. Het is een teken, geen ziekte.

Maar het is wel een teken dat de wond dagenlang nat is. En daar zit het probleem: niet in het vocht zelf, maar in wat er in dat vocht kan landen.

De rekening van een grote snede

Een wijnstok heeft geen huid die over de wond heen groeit. Hij doet iets anders: er vormt zich een rand van callus, kurkachtig weefsel, dat van de buitenkant naar het midden over het snijvlak heen kruipt. Die rand komt elk jaar een stukje verder.

Bij een rank van potlooddikte is de afstand tot het hart een paar millimeter, en is dat in één seizoen bekeken. Bij een arm van vier centimeter moet die rand twee centimeter naar binnen, en dat haalt de stok in zijn leven vaak niet meer. Het is niet zo dat hij er langzaam aan werkt; hij komt er eenvoudig nooit. De wond blijft dan voor altijd een open plek met een kuil waar regen in blijft staan, en dat is precies de plek waar je het jaar erop een donkere streep in het hout ziet.

Daarom is de maat van je snede geen detail. Het is de vraag of je een wond maakt die dichtgaat of een die openblijft.

Waar de schimmel precies binnenkomt

Eutypa en esca zijn de twee namen die je bij druiven in Nederland het vaakst hoort, en ze zien er verschillend uit. Bij eutypa verwelkt in mei of juni opeens een scheut die er de week ervoor nog gezond uitzag: het blad krijgt een bruine rand, de internodiën blijven kort, en in de stam zit een donkerbruine streep in het hout. Esca is onregelmatiger en komt later in het seizoen, met een arm die in juli ineens verdort en blad met tijgerstrepen.

Wat ze gemeen hebben: ze komen naar binnen via een snijvlak in hout dat nog leeft. Niet via de bast, niet via het blad. Via de wond.

De sporen komen vrij bij regen, uit dood hout. Een oude stomp, een afgestorven arm, en ook de ranken die je vorig jaar op de grond hebt laten liggen. Ze landen op vochtig hout, en een versch snijvlak is zacht weefsel met open vaten. De eerste dagen is dat vlak het meest ontvankelijk: het is dan nog nat van binnen en de stok heeft zijn afweer nog niet op orde.

Vandaar de twee dingen die ik zelf het strengst naleef. Ik snoei niet als er regen voorspeld is, en niet als de stok zelf nog nat is van de nacht. En ik ruim de ranken onder de stok op, in plaats van ze te laten liggen of ze door de border te hakselen.

En als ik een dode arm weghaal, zaag ik niet tot de eerste plek waar het hout er nog wel oké uitziet. Ik zaag door tot het vlak egaal bleek is, witgroen aan de rand, zonder donkere strepen of een bruine kern. Zit die streep er nog, dan ga ik verder naar beneden, ook als ik daarmee de helft van de arm kwijt ben. Stop je te vroeg, dan laat je een rand ziek hout zitten waar de schimmel gewoon in blijft zitten, en heb je voor niets gezaagd.

Wat ik check voordat de zaag erin gaat

Vier dingen, in deze volgorde:

  1. Hoe dik is het hout? Alles boven duimdikte behandel ik niet meer als routine. Daar denk ik eerst over na, en dat doe ik op een droge dag.
  2. Is het hout nog levend? Bleek, stevig en groenwit aan de rand betekent levend. Grijs, kurkachtig, donkerbruin betekent dood, en dan is de vraag niet of ik erin zaag maar waar ik stop.
  3. Wat doet het weer de komende twee dagen? Droog en vorstvrij, dan gaat de zaag erin. Regen op komst, dan wacht ik. Ik snoei ook niet als het hout bevroren is; bevroren hout splintert, en een rafelig vlak sluit slechter dan een gladde snede.
  4. Loopt de stok al? Zwellen de knoppen, dan ben ik te laat voor de grote ingrepen. Dan stel ik ze uit tot januari volgend jaar, in plaats van nu een bloedende wond te maken die weken open blijft.

Een botte schaar plet. Dat klinkt als een detail, maar een geplette snede is rafelig en sluit slechter dan een gladde. Ik slijp de schaar in januari, en ik veeg de zaag af als ik door hout ben gegaan dat er verdacht uitzag, voordat ik naar de volgende stok loop. Bij drie stokken is dat overdreven, in een rij van twintig is het dat niet.

Er is wel een uitzondering, en die is de moeite waard om te kennen. Wie in een natte, koele streek tuiniert, ziet soms dat de grote ingrepen worden uitgesteld tot na het uitlopen. De regenperiode met sporen is dan voorbij en de stok sluit in volle groei sneller af. De prijs is dat je bloedende wonden krijgt en dat je een deel van je knoppen weggooit. Voor een wijngaard is dat een afweging die je maakt; voor drie stokken achter het schuurtje weegt het anders. Ik houd het op februari.

En dan het blikje. Ik heb wondpasta gebruikt, en ik zeg niet dat het niets doet. Maar het is geen vervanging voor de rest. Een laagje over een slecht gemaakte snede op een natte dag maakt die snede niet goed, en op een grote wond die van binnen nat blijft kan het de boel eerder afsluiten dan beschermen. De volgorde is: juiste moment, scherp gereedschap, schone snede. Wat je daarna nog op het vlak smeert is een detail, geen oplossing.

De vorm van je stok bepaalt hoeveel je zaagt

Ik ben er langzaam achter gekomen dat het aantal zaagsneden in je tuinleven niet door het weer wordt bepaald, maar door de vorm die je de stok in de eerste drie jaar geeft. Een stok die elk jaar één nieuwe rank vanaf de kop mag maken, levert sneden op van potlooddikte. Een stok waar je een arm tien jaar laat zitten omdat hij zo mooi draagt, levert op een dag een zaagsnede van vier centimeter op, en dat is precies de snede die je niet wilt.

Dus: vernieuw op tijd. Liever elk jaar een klein offer dan eens in de tien jaar een grote ingreep. En als je een oude, verwaarloosde stok overneemt: doe die ene grote ingreep in één keer, op een droge dag in februari, in plaats van er in het najaar een beetje aan te peuteren. Een halve ingreep is erger dan geen ingreep, want je maakt meer wonden en laat meer ziek hout staan.

In juni loop ik langs de rijen. De knipjes van februari hebben een ringetje kurk om het snijvlak, egaal en dicht. De oude stok drie rijen verder heeft zijn kuil nog. Ik kijk tegenwoordig eerst naar de stam van een wijnstok en pas daarna naar het blad. Aan de stam zie je wat er de afgelopen tien jaar is gebeurd.

Over de auteur

De Ochtendplukkers zijn mensen die op kleine schaal groenten, fruit en kruiden telen in Nederlandse tuinen, op balkons en volkstuinen. Ze kennen de ochtenddauw, de zware klei en de eerste aardbeien van het seizoen.