Wat een verwilderde druif je elk jaar aan oogst kost

Een verwilderde druif kost je niet één oogst, maar elk jaar opnieuw: de trossen blijven klein, het hart van de plant verstikt in elkaar en schimmel krijgt vrij spel in de dichte kluwen. Wat werkt is geen drastische snoeibeurt in één winter, maar een renovatie in etappes over twee tot drie winters. Eerst gaat dood en kruisend hout eruit, dan kies je de gezondste ranken als nieuw geraamte, en pas daarna verdwijnen de oude armen.

Ik sta op een grijze januaridag achter in de tuin, nat blad onder mijn laarzen, een takkenschaar in de ene hand en een snoeizaag in de andere. Voor me hangt de druif die ik met het huis overnam. Twee seizoenen heb ik er alleen naar gekeken, omdat ik niet wist waar te beginnen en bang was dat ik hem met één verkeerde knip om zeep zou helpen.

Wat me die ochtend als eerste opvalt, is niet het hout maar de ruimte. Of liever: het gebrek eraan. Ik steek mijn hand in de kluwen en krijg hem er niet meer recht in. Overal waar ik kijk raakt iets anders aan.

Dan ga ik het hout volgen. Ik pak een rank vlak bij de stam en volg hem met mijn vingers omhoog, over de lat, terug het midden in, om zichzelf heen. Drie keer kruist hij een andere rank voor ik een meter verder ben. Zo werk ik de hele plant door, en dat is het enige wat ik die middag doe: kijken waar elk stuk hout begint en waar het eindigt.

Oud hout loopt niet meer uit

Van dat volgwerk leer je het belangrijkste van de hele klus, en het is precies het punt waar het bij de meeste mensen misgaat: dik, oud hout loopt niet meer uit. De knoppen die er ooit zaten, zijn blind of verdroogd. Waar de bast loslaat en afschilfert, zit geen groen meer onder.

Dat verandert alles aan de aanpak. De verleiding is om de hele kluwen tot op de stam terug te zagen, in de veronderstelling dat je dan schoon opnieuw begint. Maar een druif begint niet opnieuw. Je houdt een stam over die niet meer uitloopt, en dan sta je volgend voorjaar naar een dode paal te kijken. Wie alles in één keer weghaalt, is niet sneller klaar. Hij begint alleen met minder reserve en meer risico.

Daar komt bij dat de stok in de winter zijn voorraad in stam en wortels heeft zitten, niet in de ranken. Dat is precies waarom je dit werk in de rustperiode doet: je haalt hout weg dat op dat moment niets kost. Ik snoei het liefst op een droge dag zonder vorst. Bij harde vorst pak ik de zaag niet, want een verse wond in bevroren hout scheurt sneller en droogt slechter in.

Wat een dichte kluwen je elk seizoen kost

De rekening wordt niet in september opgemaakt, maar al in juni daarvoor. De bloemtrossen van volgend jaar worden in de zomer aangelegd, in de knoppen van het hout dat er dan staat. Een donker, vol hart betekent weinig licht op die knoppen, en dus het jaar erop weinig en kleine trossen. Je verliest dus niet alleen de oogst van dit jaar, je betaalt hem ook nog eens vooruit.

En er is de vochtkant. Een plant die in zichzelf is teruggegroeid, blijft na een bui uren nat. Ik zie in zo'n kluwen eerder meeldauw op het blad en eerder grauwe schimmel in de trossen dan op een stok die open staat. Wind die door de plant kan, is gratis en werkt beter dan wat je er later ook tegen doet.

De eerste winter: ruimte maken, niet slopen

Wat er in die eerste winter uitgaat, is dead hout, kruisend hout en alles wat in het midden in de weg hangt. Dood hout herken je zonder twijfel: het buigt niet mee, de bast laat los en als je met je nagel in het hout krast, komt er geen groen maar grijs-wit tevoorschijn. Kruisend hout wringt. Waar twee armen over elkaar schuren, ontstaat een kale plek die vanzelf niet meer dichtgaat.

Wat blijft, is de stam als die gezond is, twee of drie van de sterkste ranken die ik als nieuw geraamte langs de lat of het draad wil leiden, en één jonge scheut laag bij de grond. Die laatste houd ik expres achter de hand. Als de oude arm het later begeeft, heb ik al een vervanger staan in plaats van een lege plek.

Ik bind die ranken met raffia en een losse knoop, niet strak, want een rank die insnoert groeit niet meer door. Alles wat ik weghaal, leg ik op een hoop naast me. Aan het eind van de middag is de helft van de plant weg en lijkt er ineens licht door de pergola te vallen. Dat is het moment waarop je denkt: nu even doorgaan. Ik doe het niet. De oude armen blijven staan, ook de lelijke, want ze dragen dit seizoen nog de ranken die ik nodig heb.

De nieuwe rank moet zich eerst bewijzen

De zomer erna doe ik bijna niets. Ik geef water bij droogte en ik kijk welke van die aangebonden ranken echt doorgroeien tot een stevige, rijp geworden cane. Rijp wil zeggen: bruin en hard van bast, niet groen en sappig. Alleen zo'n stuk hout kan volgend jaar een arm dragen.

Dat tussenjaar voelt traag en dat is het ook. Maar het is het jaar waarin je leert wat er te redden valt. Soms blijkt de jonge scheut onderaan niets te doen en moet je het van een rank hoger op de stam hebben. Soms groeit er wel iets, maar op de verkeerde plek. Dan schuif je de planning een winter op. Dat is geen mislukking, dat is de reden dat dit een project van meerdere winters is en geen klus van één middag.

De oude arm gaat pas als de nieuwe staat

In de tweede winter, soms de derde, zaag ik de oude arm weg. Niet met de takkenschaar, want dat hout is te dik en dan splijt het. Met de snoeizaag, in één keer, vlak bij de stam, zonder stompje. Een stompje sterft terug en geeft precies de dode plek waar je later last van krijgt.

De volgorde is heilig: eerst kijken of de vervanger het heeft gehaald, dan pas zagen. Ik heb één keer de fout gemaakt om het om te draaien, en toen stond ik met een gezonde stam en niets meer om aan te binden.

In diezelfde winter of het jaar erna ruim ik ook de laatste rommel in het midden op en breng ik de ranken op onderlinge afstand. Vanaf dat moment zit ik weer in een normaal snoeiritme: elk jaar de ranken van het afgelopen seizoen terugzetten, het geraamte laten staan.

Wat de stok daarna van je vraagt

Een gerenoveerde druif is een paar seizoenen een herstellende plant. Ik geef in het voorjaar een laag compost en bij langdurige droogte water bij de stam, niet met de sproeier over het blad. Ik ben zuinig met meststof die veel stikstof geeft: dat levert blad en geen trossen, en een weelderige plant in een nat jaar is precies wat je niet wil.

Reken op een seizoen of twee, soms drie, voor de oogst weer op peil is. Het eerste jaar na de eerste ingreep heb je weinig of geen trossen. Dat is de prijs, en die betaal je hoe dan ook, ook als je alles in één keer wegsnoeit.

Wat je hiervan niet moet verwachten

Niet elke verwilderde druif is te redden. Zit er onder de bast van een oude arm zacht, bruin hout, dan is die arm verloren. Ik zaag dan terug tot waar het hout gezond is en kijk of er nog een levensvatbare knop overblijft. Gaat dat te diep de stam in, dan is vervangen eerlijker dan doorploeteren. Een stok in te veel schaduw of op te natte grond knapt ook met de beste snoei niet op.

Wat je wel krijgt, is een plant die je weer kunt lezen. Als ik nu in januari achter datzelfde draad sta, zie ik in één oogopslag waar het hout heen gaat, welke rank mag blijven en welke eruit moet. Dat is de winst die niemand je vooraf vertelt: na twee of drie winters heb je niet alleen je trossen terug, je hebt ook een druif die je nooit meer laat verwilderen.

Over de auteur

De Ochtendplukkers zijn mensen die op kleine schaal groenten, fruit en kruiden telen in Nederlandse tuinen, op balkons en volkstuinen. Ze kennen de ochtenddauw, de zware klei en de eerste aardbeien van het seizoen.