In drie jaar een stekje omvormen tot dragende druif

De eerste drie jaar aan een jonge druif zijn geen oogstjaren maar bouwjaren. Het enige doel is een stam en twee armen kweken die dik en stevig genoeg zijn om later op te snoeien, en elke bloemtros die in die tijd verschijnt gaat eraf. Wie in die jaren al fruit wil, houdt een dunne, slingerende plant over waar nooit een fatsoenlijk geraamte in komt.

In drie jaar een stekje omvormen tot dragende druif

Het is half februari, het heeft dagen geregend en bij het hek zak ik met mijn laarzen weg in de klei. Snoeischaar in de ene hand, de scheut van vorig jaar in de andere. Het hout is koud en glad, en als ik erdoor knip ruikt het groen en een beetje bitter. Dit is het moment waarop het jaar beslist wordt, en het is precies het moment waarop ik geen enkele tros hoef te tellen.

Ik heb het de eerste keer anders gedaan. Het stekje ging in het voorjaar de grond in bij een zuidmuur, kreeg een bamboestok en verder mocht het gaan. Drie scheuten, alle drie liet ik ze lopen, want meer blad leek me meer wortels. In augustus hing er een groene warboel van twee meter met dunne ranken die alle kanten op vielen. Prachtig om te zien, als frame waardeloos.

Wat ik toen niet begreep: een jonge druif kan zijn energie maar één keer uitgeven. Elke scheut die je laat staan vraagt om wortels, water en blad, en wat overblijft gaat niet naar het hout. Een frame bouw je met een plant die je klein houdt, niet met een plant die je laat gaan.

Het plantjaar: terug naar twee of drie knoppen

Bij het planten knip ik de stek terug tot twee of drie knoppen boven de grond. Dat voelt als sabotage: je hebt net iets levends in de grond gezet en je haalt er bijna alles af. Maar die twee knoppen zijn genoeg. De plant loopt uit, maakt een paar bladeren, en stopt de rest van zijn energie in wortels die in de Nederlandse klei of het zand hier moeten zien te overleven.

De eerste zomer mag er weinig gebeuren. Een paar korte scheuten, wat blad, meer niet. Ik heb in dat jaar nooit een tros gezien, en dat is precies goed.

Als er in die eerste zomer toch één scheut duidelijk de sterkste is, bind ik die alvast op langs een stok. De echte keuze maak ik pas in de winter daarna.

Jaar twee: één scheut wordt de stam

In februari kies ik de sterkste scheut, laag bij de grond en recht boven de wortels. De rest knip ik tot op de basis weg. Soms laat ik één reserveknop zitten, puur als verzekering: breekt de gekozen scheut af, dan heb ik nog iets.

Die ene scheut wordt de stam. Hij gaat langs een bamboestok of een strak gespannen draad omhoog, en ik bind hem op met tuinbast, losjes, in een achtje. Niet te strak, want een stam wordt dikker en dan snijdt de binding in het hout.

Wat ik in dat tweede jaar het belangrijkste vind, is iets waar je bijna niets van ziet: de groeitop moet recht omhoog blijven. Zodra de top omvalt of zijwaarts wegzakt, buigt het jonge hout mee en die knik komt er nooit meer helemaal uit. Een druif hijst zichzelf niet netjes op zoals een klimop; hij moet geleid worden.

En dan komen ze: de eerste kleine trosjes, soms al in juni. Het zijn een paar losse knopjes bij elkaar, niets indrukwekkends, en juist daarom is het verleidelijk ze te laten zitten. Ik haal ze weg zodra ik ze zie, met mijn duimnagel of de punt van de schaar, en laat het blad eromheen staan.

Jaar drie: de stam op hoogte, en dan pas de armen

De stam bouw ik in twee of drie winters op tot hij de hoogte heeft waarop ik hem wil hebben. In mijn tuin is dat de bovenste draad, ongeveer twee meter. Zolang hij nog niet op hoogte is, is er niets anders te doen dan die ene scheut volgen, opbinden en een beetje bijsturen.

Als de top in de zomer de draad haalt, knijp ik de groeitop eruit. De stam stopt met langer worden en gaat dikker worden, en de knoppen eronder worden wakker. In de winter daarna knip ik de stam op hoogte en kies ik twee scheuten, één naar links en één naar rechts, langs de draad. Dat zijn de armen. Ook daar gaan in dat jaar de trossen nog af.

Pas als dat geraamte staat, is het woord snoeien aan de orde zoals je het in de meeste boeken tegenkomt. Niet eerder.

Waarom die trossen eraf gaan

De rekening is simpel. Een jonge plant die een tros laat uitgroeien, zet zijn suikers in dat fruit en niet in het hout. Het gevolg is dat de stam dat jaar bijna niet dikker wordt, de armen dun blijven, en je schuift alles een jaar op. Een tros weghalen kost je niets op het moment dat hij nog piepklein is; hem laten zitten kost je een groeiseizoen.

Er zit nog een tweede reden achter, eentje die in natte jaren zwaarder weegt. Een plant die alles mag laten lopen, maakt een dicht bladerdek dat na een regenbui lang vochtig blijft. Dat is precies de omstandigheid waarin meeldauw het naar zijn zin heeft. Een open geraamte waait sneller droog. Je bouwt in die jaren dus niet alleen hout, je bouwt ook lucht.

Steun, wind en kleine ongelukken

Een jonge stam heeft hulp nodig. Bij mij loopt er een strakke staaldraad langs de muur en staat er een bamboestok naast de plant voor de eerste meters. De druif zelf grijpt niets; hij heeft geen ranken met zuignapjes zoals een klimop.

Wat ik in die jaren geleerd heb, is om in juni nog eens langs te lopen. De wind aan het hek is soms hard genoeg om een halflege scheut om te klappen, en dan is je stam foetsie. Ik bind de top daarom mee, ook als hij al bijna bij de draad is. En ik controleer de bindingen: als de bast ergens insnoert, maak ik hem los en bind opnieuw.

Water geven doe ik in de eerste zomers trouw, ook na een natte week, want een plant met weinig wortels verdampt via veel blad. Te veel voeding met veel stikstof geef ik juist niet: dat levert lange, zachte scheuten op die niet afrijpen en in de winter nergens op lijken.

Wanneer het bouwen ophoudt

Er is geen jaar waarin je het zeker weet. Of een druif in het derde jaar al echt kan dragen, hangt af van de standplaats, het ras en het weer, en een late vorst kan in mei de groeitop van je zorgvuldig opgekweekte stam gewoon wegnemen. Ik kijk daarom niet naar de kalender maar naar het hout.

Mijn vuistregel: is de stam ongeveer zo dik als een potlood, en is het hout bruin en verhout, dan kan er iets op. Is hij nog groen en dun, dan laat ik hem nog een jaar bouwen, ook als dat betekent dat ik voor de derde keer de trossen weghaal. Dat is geen verloren jaar, dat is een jaar waarin de plant iets doet wat hij later terugbetaalt.

Vanaf dat moment verandert de vraag. Niet meer: hoe krijg ik een stam omhoog, maar: hoeveel knoppen laat ik op die armen staan. Dat is een ander verhaal met een andere logica, en het is precies het verhaal dat je overal vindt als je zoekt op druif snoeien. Het probleem is alleen dat al die adviezen uitgaan van een plant die al staat. Pas als jouw frame er is, zijn ze op jouw situatie van toepassing.

Ik sta nu in februari naast een kale plant die eruitziet als een stuk meubel: één rechte stam, twee armen langs de draad, verder niets. Geen blad, geen tros, geen groen. En juist nu ga ik met de snoeischaar langs die armen om te tellen hoeveel knoppen ik laat staan, want eindelijk is dat de vraag die ertoe doet.

Over de auteur

De Ochtendplukkers zijn mensen die op kleine schaal groenten, fruit en kruiden telen in Nederlandse tuinen, op balkons en volkstuinen. Ze kennen de ochtenddauw, de zware klei en de eerste aardbeien van het seizoen.