De plek waar een appelboom komt te staan is de enige keuze die je later niet meer terugdraait. Minimaal zes uur direct zonlicht per dag, ruimte voor de kroon op volwassen breedte en geen laagte waar koude lucht blijft hangen: wie die drie dingen controleert voordat de spade in de grond gaat, kan daarna bijna alles nog bijsturen. Wie ze overslaat, staat een jaar of vijf later naar een gezonde boom te kijken die elk voorjaar bloeit en nooit appels geeft.
Ik heb dat zelf gedaan, met een laagstam die al twee weken in een emmer water stond te wachten. Ik had de tuin in juni bekeken, rond het middaguur, met de zon op zijn hoogst. Alles klopte: de hoek bij de schuur lag vol in het licht, de stam stond vrij, er was ruimte zat. Toen ik in maart terugkwam om het gat te graven, lag precies die hoek vanaf een uur of twee in de schaduw van het schuurdak, en 's ochtends ook, door het huis van de buren. Ik heb de boom toch geplant. Hij heeft vier jaar geleefd, twee keer gebloeid en nooit meer dan drie appels gegeven. Uiteindelijk heb ik hem weggehaald, en dat is precies het punt: graven kun je één keer.
Kijk op het juiste moment van het jaar
De fout die bijna iedereen maakt, is de zon opnemen in juni. In juni staat de zon in Nederland rond het middaguur zo hoog dat zelfs een smalle achtertuin even helemaal licht lijkt. In maart staat ze veel lager, in oktober weer, en in december haalt ze de achterkant van een rijtjeshuis vaak niet eens. Een tuin die noordelijk van het huis ligt, is in de zomer 's ochtends en 's avonds bruikbaar en in het voorjaar grotendeels donker. Dat is geen detail, want het voorjaar is precies wanneer de bloei en de eerste groei plaatsvinden.
Wat ik tegenwoordig doe, en wat ik iedereen aanraad die nog geen gat heeft gegraven: ga op de kandidaatplek staan op een heldere dag in maart, om negen uur, om twaalf uur, om drie uur en om vijf uur. Let niet op de boom, let op de lijn waar het licht ophoudt. Doe hetzelfde nog eens in september. Je zoekt niet naar "veel zon", je zoekt naar zes uur ononderbroken direct licht op de plek waar straks de kroon hangt. Dus niet alleen bij de stam, maar over de volle breedte.
De richting zegt ook iets. Zuid en zuidwest geven de meeste zon en warmen in het voorjaar het snelst op, wat de bloei en de afrijping van het fruit ten goede komt. Moet je kiezen tussen ochtendzon en avondzon, dan wint de ochtend: de dauw droogt weg, het blad is eerder droog, en dat scheelt schurft en ander bladwerk dat van nat weer houdt. En kijk verder dan je eigen erf. De conifeer van de buren, de dakkapel, de heg die over drie jaar een stuk hoger is — die staan niet op je tekening maar gooien wel schaduw.
De kroonbreedte is de maat, niet het boompje
Een appelboom die je koopt is twee meter hoog en een halve meter breed. Dezelfde boom is over tien jaar, afhankelijk van de onderstam, twee tot vijf meter breed. Plant dus op de maat van de kroon die komt, niet op de maat van wat je in de auto krijgt. Vuistregel: een zwakgroeiende onderstam heeft anderhalve tot twee meter nodig, een sterke onderstam vier meter of meer. Het verschil tussen een M9 en een MM106 is op de kwekerij een etiket, in je tuin een verschil van meters.
Zet je twee bomen bij elkaar voor de bestuiving, tel dan de halve kroonbreedtes bij elkaar op in plaats van te kijken waar ze nu nog vrij staan. Over tien jaar groeien ze in elkaar, en dan moet je gaan kappen in plaats van oogsten.
Hetzelfde geldt voor de afstand tot een heg of schutting. Zet de stam op een meter van iets dicht groens, en je krijgt een boom die één kant op groeit, naar het licht toe, met een scheve kroon en een donkere, vochtige kant waar schimmel zich makkelijk vestigt. Die heg onttrekt ook water en voeding uit dezelfde bovenlaag. Reken liever vanaf de volwassen kroonrand dan vanaf de stam: die rand moet vrij blijven van alles wat straks hoger komt dan je knie.
Wind, beschutting en de koude hoek onderaan
Een appelboom in de hoek tussen schuur en schutting staat uit de wind, en dat voelt goed. Maar het is ook de hoek waar de bladeren na een regenbui de hele dag nat blijven, waar de lucht niet beweegt en waar je in augustus de eerste zwarte vlekken op het blad ziet. Je wilt beschutting tegen harde wind, geen stilte. Beschut maar open: lucht die door de tuin kan stromen, blad dat binnen een uur opdroogt.
De andere kant is net zo belangrijk. Tussen twee bebouwingen kan de wind versnellen tot je er nauwelijks meer rechtop staat, en dan vliegen de bijen niet. Ook dat kost je oogst. Bloesem moet bezocht worden, en bestuivers werken niet in harde wind of stromende regen. Een plek die de wind breekt maar niet opsluit, is wat je zoekt.
Koude lucht is zwaar. Ze stroomt 's nachts langzaam naar het laagste punt van de tuin en blijft daar liggen, als water in een kom. Staat er aan de lage kant ook nog iets dichts — een schutting, een schuur — dan kan ze niet weg en wordt het daar nog kouder. Dat is een vorstkom, en je merkt hem het eerst aan het gras: het hoekje dat in november als eerste wit is, dat in januari het langst nat blijft, waar in december de mist blijft hangen. Precies daar bevriest in april je bloesem.
Een paar graden onder nul is genoeg om de bloemetjes van een appel te beschadigen, en zo'n nacht komt in een normale Nederlandse lente met enige regelmaat voorbij, één of twee keer. Een boom op een iets hoger gelegen plek, waar koude lucht naar beneden kan wegstromen, komt daar ongeschonden doorheen. Een boom onderaan de helling of in de laagste hoek van de volkstuin verliest dat jaar zijn hele oogst. Dat verschil zie je niet in mei, als alles groen is. Je ziet het in een heldere nacht in april.
De meter rond de stam
De eerste drie, vier jaar is de grootste vijand geen vorst maar gras. Gras en onkruid binnen ongeveer een meter van de stam concurreren met een jonge boom om water en voeding, en gras wint dat gevecht meestal. Een jonge appelboom in een gazon staat stil, maakt lange dunne scheuten en groeit nauwelijks. Houd die meter vrij: kale grond, of bedekt met iets wat de bodem vochtig houdt. Doe je dat één keer goed bij het planten, dan hoef je er daarna bijna niets meer aan te doen.
Wat je nog kunt repareren, en wat niet
De volgorde die ik aanhoud, is niet gebaseerd op wat het makkelijkst is, maar op wat onomkeerbaar is.
Zonuren, vorstgevoeligheid en de uiteindelijke kroonbreedte staan bovenaan, want die verander je na het planten niet meer. Een boom in de schaduw snoei je niet naar het licht; je krijgt lange dunne scheuten en weinig bloem. Een vorstkom verplaats je niet. Een te grote kroon in een te kleine tuin los je niet op met een snoeischaar — zwaar snoeien levert woeste groei en weinig vrucht, en de boom blijft elk jaar opnieuw proberen de ruimte te vullen.
Daaronder komt de bodem. Grond kun je verbeteren: draineren, kalk strooien, compost inwerken, water geven in een droge zomer. Zelfs de concurrentie van gras is oplosbaar. Dat is het verschil dat de meeste plantinstructies overslaan: ze behandelen zon, grond en ruimte als één lijstje, terwijl ze in werkelijkheid in twee categorieën vallen. De ene helft kun je nog jaren bijstellen, de andere helft zet je vast op de dag dat je graaft.
En als de perfecte plek er niet is — en in een achtertuin van vijf bij acht meter is die er zelden — kies dan de boom bij de plek, niet de plek bij de boom. Een zwakgroeiende onderstam op een iets mindere plek geeft je meer appels dan een forse halfstam in de beste hoek van een kleine tuin. Dat is de enige vorm van compensatie die echt werkt.
De boom die ik destijds te snel plantte, staat er niet meer. Wat ik eraan heb overgehouden is een gewoonte: als er weer een jonge appelboom in een emmer water op me staat te wachten, loop ik eerst een dag met een meetlint en een notitieblok door de tuin, in maart, en nog eens in september. Graven kan maar één keer.
