Een appelboom op een balkon lukt alleen als je de pot niet als een kleiner stukje tuin behandelt, maar als een eigen systeem met eigen regels. Veertig tot vijftig liter substraat, drainage die echt doorlaat, in warm weer elke dag controleren of de kluit nog vochtig is, de pot beschermen tegen vorst en de stam vastzetten tegen wind. De boom zelf blijft door de zwakke onderstam — M27 of M9 — rond de anderhalve tot twee meter, maar alles om hem heen gedraagt zich anders dan in de volle grond.
De middag in juni waarop het doordrong
Ik kwam om een uur of vijf thuis. De zon had die dag sinds de ochtend op de zuidgevel gestaan en de pot stond er vol in, dus de wand was warm toen ik hem aanraakte. Ik stak mijn vinger in de bovenlaag: kurkdroog. Nog eens, twee centimeter dieper: ook droog. Toen ik de pot aan één kant optilde, wist ik het al. Dat gewicht klopte niet. Een pot van vijftig liter die goed nat is, krijg je met één hand nauwelijks van de grond.
Het blad hing er nog prima bij. Dat is het lastige aan een appelboom in een pot: hij zegt het laat. In de volle grond had deze boom zijn wortels twee meter dieper kunnen laten zoeken. Hier zit hij opgesloten in een ruimte die kleiner is dan een kliko, en de enige voorraad die hij heeft, is wat er die ochtend nog in zat.
Ik heb die middag water gegeven tot het onderaan de pot uit de gaten liep en over de tegels naar beneden verdween. Het duurde veel langer dan ik verwachtte, bijna vier liter voor er iets onderuit kwam. Sindsdien geef ik niet meer "een gieter", ik geef tot het eruit loopt. Half werk blijft in de bovenste laag hangen en bereikt de wortels onderin nooit.
Water geven is geen ritueel, het is een inspectie
In een tuin is water geven een gewoonte. Op een balkon is het controleren. Ik doe het 's ochtends voor ik wegga en in juli en augustus 's avonds nog een keer, met mijn vinger, niet met een schema. Er is namelijk geen buffer. Een klein volume substraat, een potwand die in de zon warmer wordt dan grond ooit wordt, en wind die langs de gevel trekt: dat trio droogt alles veel sneller uit dan een border. Als ik een dag oversla in een warme week, zie ik dat niet meteen aan het blad, maar wel aan de pot als ik hem optil.
De schotel gebruik ik, maar nooit vol. Staat er een kwartier na het gieten nog water in, dan giet ik het weg. Wortels die dagen in het water staan krijgen geen zuurstof, en dat ruik je op een gegeven moment ook: dat zurige, muffe. Ik zet de pot daarom op twee blokjes, zodat het water er echt onderuit kan en de onderkant niet in een plas blijft staan.
Drainage is geen gaatje, het is een laag
Onderin hoort ruimte te zijn, geen potgrond die direct tegen de gaten aandrukt. Ik leg eerst een grove laag, dan pas het substraat. En ik controleer elk voorjaar of die gaten nog open zijn, want na een paar jaar groeien de wortels er dwars doorheen. Ik heb eens een pot omgekeerd waarvan ik dacht dat hij goed doorlatend was, en toen bleek de bodem bijna dichtgeweven. Dan staat de onderste tien centimeter van je kluit permanent nat, ook al geef je nog zo netjes water.
Vorst in een pot is andere vorst
In de volle grond zakt de vorst er zelden diep in. In een pot vriest de kluit van alle kanten, en een pot van vijftig liter kan in een strenge week behoorlijk doorvriezen. Wat er dan meestal begeeft zijn niet de takken maar de wortels net onder de rand. Ik zet de pot in de hoek tegen de gevel, op een plaat zodat hij niet in het water staat, en pak de potwand in met noppenfolie. De stam en de entplaats laat ik vrij, want die mogen best kou voelen. Nat plus vorst is erger dan droog plus vorst, dus in de winter blijft de schotel leeg.
Een schuur of berging kan ook, maar dan moet je in februari alsnog je vinger in de kluit steken. Een vorstvrije, donkere plek betekent niet dat de boom geen water meer nodig heeft.
Wind is de tweede zon
Balkonwind is geen tuinwind. Hij versnelt langs de gevel, komt soms van twee kanten en heeft geen haag om op te breken. Twee dingen gebeuren er tegelijk: de pot droogt sneller uit dan de zon alleen zou doen, en een boom van twee meter met een volle kruin vangt wind als een zeil. Een natte pot weegt tientallen kilo's, maar dat is geen garantie. Ik zet hem daarom laag en zwaar, met een stevige voet, en span de stam met een band om naar een vast punt. Een stok in de pot zelf helpt daar niet tegen: die kantelt mee.
De boom blijft klein, de pot raakt vol
De onderstam doet zijn werk: M27 of M9 houdt de kruin compact, daar hoef je weinig aan te doen. Maar de wortels stoppen niet met groeien omdat het past. Om de twee tot drie jaar til ik de kluit uit de pot en zie ik een mat van wortels tegen de wand, in de vorm van de pot. Dan is het tijd: wortels wat terugknippen, verse grond, dezelfde pot of een maat groter als het gewicht en de ruimte het toelaten. Groter is niet automatisch beter — een te zware pot krijg je in je eentje niet meer verplaatst.
In de tussenjaren werk ik in het voorjaar een laag compost door de bovenste centimeters. Een container heeft geen bodemleven dat van onderaf aanvult, dus wat je erin stopt, is wat hij heeft.
Alleen op een balkon
De meeste appelrassen hebben een partner die tegelijk bloeit. Op een beschutte begane grond vliegen bijen dat zo voor je op, maar drie hoog langs een winderige gevel moet je daar niet op rekenen. Een zelfbestuivende variëteit is dan de eenvoudigste route. Wil je toch twee rassen, dan kun je op één onderstam twee stammen laten staan, of in de paar bloeidagen zelf met een kwastje van bloem naar bloem gaan. Dat voelt wat overdreven, tot je een jaar hebt gehad met veel bloesem en geen enkele appel.
De boom is uiteindelijk het makkelijkste deel. Die weet wat hij moet doen. Wat je nodig hebt is niet veel ruimte, maar een routine van twee minuten per dag en de bereidheid om in november met een rol folie naar buiten te gaan.
